Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
4 juni 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene, medepleger van gijzeling.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de betrokkene beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak, zonder nadere motivering omdat het niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling.
Wel heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg hiervan heeft de Hoge Raad de opgelegde betalingsverplichting van €158.957,78 verminderd tot €153.955, en het beroep voor het overige verworpen.
De uitspraak is gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Van Strien en Kuijer op 4 juni 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €153.955 wegens overschrijding van de redelijke termijn.