In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam deels vernietigd en het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €158.957,78, met een betalingsverplichting aan de staat van hetzelfde bedrag. De betrokkene stelde in cassatie dat het hof ten onrechte niet had verminderd met een reeds geïnde schadevergoedingsmaatregel van €3.000,00, zoals voorgeschreven in artikel 36e lid 9 Sr.
De Hoge Raad overweegt dat de toepassing van artikel 36e lid 9 Sr een feitelijke beoordeling betreft die aan de feitenrechter moet worden voorgelegd. Omdat deze kwestie niet bij het hof is ingebracht, kan deze niet in cassatie worden behandeld. De klacht faalt derhalve.
Daarnaast merkt de Hoge Raad ambtshalve op dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, maar dat dit slechts wordt geconstateerd zonder verdere sancties.
De conclusie van de procureur-generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen en dat er geen gronden zijn voor vernietiging van het arrest van het hof.