ECLI:NL:PHR:2025:1299

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
23/04624
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Misbruik van identificerende persoonsgegevens en rijden met ongeldig rijbewijs

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1988, veroordeeld door het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van identificerende persoonsgegevens van een ander, het rijden met een ongeldig rijbewijs en het weigeren van een bloedonderzoek. De verdachte heeft een gevangenisstraf van zes maanden gekregen, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en bijkomende voorwaarden. Het hof heeft ook de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor een jaar ontzegd. De verdachte heeft cassatie ingesteld, waarbij drie middelen zijn voorgesteld. Het eerste middel betreft de uitleg van 'identificerende persoonsgegevens' en of het tonen van een rijbewijs van een ander onder deze definitie valt. Het tweede middel betreft de vraag of de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was. Het derde middel gaat over de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Het tweede middel slaagt, terwijl de andere middelen falen. De conclusie strekt tot partiële vernietiging van de uitspraak en terugwijzing naar het hof voor herbehandeling van de zaak.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04624
Zitting2 december 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 23 november 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001142-23) wegens
- in de zaak met parketnummer 03-013878-23:
“opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan”;
- in de zaak met parketnummer 03-047242-23:
1. “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en
2. “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994”
veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, waaraan algemene en bijzondere voorwaarden zijn verbonden. Voorts heeft het hof in de zaak met parketnummer 03-047242-23 de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van één jaar. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, een en ander zoals in het arrest omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel klaagt over het in de zaak met parketnummer 03-013878-23 bewezenverklaarde, meer in het bijzonder over het oordeel dat het gebruikmaken van het rijbewijs van een ander kan worden aangemerkt als het gebruikmaken van ‘identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens van een ander’. Het tweede middel ziet op het in de zaak met parketnummer 03-047242-23 bewezenverklaarde en komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het derde middel bevat een klacht over de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel klaagt dat het hof aan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term ‘identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens’ een onjuiste en met de wet strijdige betekenis heeft toegekend en het hof ten gevolge hiervan niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging.
2.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-013787-23 bewezenverklaard dat:
“hij, op 29 november 2022 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten een rijbewijs op naam van [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1987) heeft gebruikt, immers heeft hij, verdachte, een rijbewijs op naam van [betrokkene 1] , bij de staandehouding van hem, verdachte, overhandigd aan hoofdagent [verbalisant] , met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen, waardoor enig nadeel kon ontstaan.”
2.3
Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 29 november 2022 in een motorvoertuig reed en werd staande gehouden. [verbalisant] vorderde van hem een geldig identiteitsbewijs, rijbewijs en kentekenbewijs, waarop de verdachte hem een Nederlands rijbewijs op naam van [betrokkene 1] en een kentekenbewijs van het voertuig overhandigde.
2.4
De tenlastelegging is toegesneden op art. 231b Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘gebruik van identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
2.5
Het middel berust op de opvatting dat onder het in art. 231b Sr strafbaar gestelde gebruik van identificerende persoonsgegevens van een ander, niet kan worden begrepen het geval dat gebruik wordt gemaakt van een reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in art. 231 lid 1 Sr dat op naam staat van een ander. In de zaak die leidde tot HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:808 speelde dezelfde rechtsvraag. De Hoge Raad overwoog en oordeelde toen:
“2.4 Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat onder het in artikel 231b Sr strafbaar gestelde gebruik van identificerende persoonsgegevens van een ander, niet kan worden begrepen het geval dat gebruik wordt gemaakt van een reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 231 lid 1 Sr dat op naam staat van een ander. Die opvatting vindt geen steun in de bewoordingen van artikel 231b Sr en evenmin in de hiervoor, ook in de conclusie van de advocaat-generaal weergegeven wetsgeschiedenis. In die wetsgeschiedenis komt weliswaar tot uitdrukking dat de strafbaarstelling in artikel 231b Sr “een aanvulling” vormt op (onder meer) artikel 231 Sr voor “identiteitsfraude die niet met officiële documenten plaatsvindt”. Daaruit volgt echter niet dat ook beoogd is de strafbaarstelling in artikel 231b Sr te beperken tot het gebruik van identificerende persoonsgegevens op andere wijze dan door gebruikmaking van een reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 231 lid 1 Sr. Evenmin volgt daaruit dat artikel 231 Sr zich ten opzichte van artikel 231b Sr verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling als bedoeld in artikel 55 lid 2 Sr.
2.5
Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte ter vaststelling van zijn identiteit het paspoort van [betrokkene 1] aan een verbalisant van politie heeft getoond nadat hij als bestuurder van een auto een stopteken had gekregen en die verbalisant hem naar zijn rijbewijs had gevraagd. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van die [betrokkene 1] heeft gebruikt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.”
2.6
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de vaststellingen van het hof zoals hiervoor onder 2.3 kort weergegeven, getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte door overhandiging van het rijbewijs van [betrokkene 1] identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van die [betrokkene 1] heeft gebruikt, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
2.7
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
3.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-047242-23 bewezenverklaard dat:
“hij, op 29 november 2022 te [plaats] , terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten een bestelauto, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (bestelauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
3.3
Het hof heeft hiervoor de volgende bewijsmiddelen gebruikt:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 03-047242-23:
5. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2023, dossierpagina’s 27-28, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
Op 11 januari 2023, omstreeks 14.30 uur, was ik, [verbalisant] , doende met de gecombineerde zaak artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 en de gepleegde identiteitsfraude met daarin dezelfde verdachte.
Naar aanleiding van mijn uitvraag tot herkenning op maandag 26 december 2022, van de door mij aangehouden verdachte op 29 november 2022, heb ik drie processen-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar ontvangen. Na meerdere herkenningen bleek de verdachte de volgende personalia te hebben:
Naam: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1988 in [plaats]
Geslacht: man
Nationaliteit: Nederlandse
Burgerservicenummer: [BSN]
Naar aanleiding van de opgegeven personalia bevroeg ik bovenstaand persoon in de politiesystemen. Ik zag dat [verdachte] een strafmaatregel en een vorderingsprocedure op naam had staan van het CBR en het OM parket Limburg met betrekking tot zijn rijbewijs.
Op 11 januari 2023, omstreeks 15.00 uur, had ik telefonisch contact met een medewerkster van het CBR. Ik hoorde dat de medewerkster mij het volgende mededeelde: “Op maandag 7 september 2020 is het rijbewijs van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1988 in [plaats] , ongeldig verklaard. Hij heeft niet voldaan aan de oproep tot een medisch onderzoek bij het CBR. Hij heeft volgens ons systeem op dit moment geen rijbewijs in zijn bezit”.
Op 11 januari 2023, omstreeks 15.15 uur, had ik telefonisch contact met het OM parket Limburg met betrekking tot de strafmaatregel op het rijbewijs van [verdachte] . Ik hoorde dat de medewerkster van het OM parket Limburg, afdeling executie, genaamd [naam] , mij het volgende mededeelde: “Op 17 maart 2022, is de ontzegging van de rijbevoegdheid ondertekend. De ontzegging van de rijbevoegdheid is ingegaan op 7 april 2022 en duurt tot 29 september 2023”.
6. Proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 d.d. 11 januari 2023, dossierpagina’s 77-78, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :
Datum en tijd feit : 29 november 2022 om 10.55 uur
Locatie : op de openbare weg, [a-straat 1] [plaats]
Ik, [verbalisant] , verklaar het volgende:
Op 29 november 2022 om 10:55 uur zag ik dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een motorrijtuig reed op genoemde weg/locatie. Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.
Verdachte
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedatum] 1988
Geboorteplaats : [plaats] in Nederland
Bedrijfsauto
Kenteken : [kenteken]
Merk/type : Mercedes Sprinter (1572458)
Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie(ën): B
Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
Het rijbewijs is ongeldig verklaard door het CBR. De verdachte heeft niet voldaan een het medisch onderzoek opgelegd door het CBR. De verdachte heeft tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd gekregen door het OM parket Limburg.
7. Proces-verbaal van verhoor d.d. 14 januari 2023, dossierpagina’s 100-103, voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] :
V = Vraag verbalisant
A = Antwoord/opmerking verdachte .
V: Ben jij in het bezit van een geldig rijbewijs?
A: Nee.
(…)”
3.4
De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994, dat luidt:
“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
3.5
In een arrest van 9 juli 2019 overwoog de Hoge Raad het volgende:
“2.4.2. Om tot een bewezenverklaring van een op art. 9, tweede lid, eerste volzin WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, zal uit de bewijsvoering allereerst moeten blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. art. 3:40 en 3:41 Awb respectievelijk art. 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Opmerking verdient dat een tegen dat besluit door of namens de verdachte ingesteld administratief bezwaar of beroep niet leidt tot schorsing van het besluit tot ongeldigverklaring. Wel kan een geslaagd bezwaar of beroep meebrengen dat achteraf bezien de ongeldigverklaring nooit heeft gegolden.
2.4.3.
In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.
2.4.4.
In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; een dergelijk vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van art. 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat wordt geïllustreerd door het overzicht van de rechtspraak in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10.1 tot en met 10.6. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden.” [1]
3.6
In de toelichting wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan volgen dat het besluit waarbij het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, aan hem bekend is gemaakt, noch dat het van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking. Evenmin kan uit de bewijsvoering volgen dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig wist dat zijn rijbewijs ongeldig was, aldus de steller van het middel.
3.7
Uit bewijsmiddel 5 kan worden afgeleid dat het rijbewijs van de verdachte op 7 september 2020 ongeldig is verklaard. Datzelfde bewijsmiddel houdt in dat “[o]p 17 maart 2022, […] de ontzegging van de rijbevoegdheid [is] ondertekend” en dat “[d]e ontzegging van de rijbevoegdheid is ingegaan op 7 april 2022 en duurt tot 29 september 2023”. Met de steller van het middel ben ik van mening dat hieruit niet kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte bekend is gemaakt. Het is mij niet duidelijk welk stuk door wie is ondertekend op 17 maart 2022. Als al moet worden aangenomen dat het de verdachte is geweest die op die dag een stuk heeft getekend, lijkt dat iets te hebben betroffen dat ziet op een ontzegging van de rijbevoegdheid. [2]
3.8
Ook wat betreft de wetenschap van de verdachte heeft de steller van het middel mijn inziens een punt. Uit de enkele ontkenning (“nee”) van de verdachte op 14 januari 2023 op de vraag of hij beschikt over een geldig rijbewijs kan niet worden afgeleid dat hij op de bewezenverklaarde datum (29 november 2022) wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De omstandigheid dat hij op 29 november 2022 een rijbewijs van een ander toonde (zie het eerste middel) doet de wenkbrauwen fronsen, maar is daartoe evenmin voldoende.
3.9
Het middel is terecht voorgesteld.

4.Het derde middel

4.1
Met het derde middel wordt opgekomen tegen de beslissing van het hof tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
4.2
Het bestreden arrest houdt onder meer in:

Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de gevangenisstraf voor de duur van 205 dagen, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 september 2020 onder parketnummer 03-103614-19.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, namelijk voor de duur van 60 dagen, dient te worden gelast. De vordering wordt voor het overige afgewezen.
Het feit dat (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf in de weg zou staan aan een noodzakelijk geachte (klinische) behandeling van de verdachte leidt niet tot een ander oordeel. In de ernst van de feiten en het veelvuldig recidiveren van de verdachte in de proeftijd, ziet het hof, anders dan de advocaat-generaal en de raadsman, aanleiding tot gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf.”
4.3
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof de beslissing tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging mede heeft gegrond op het veelvuldig recidiveren van de verdachte in de proeftijd, terwijl uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 20 september 2023 niet van veelvuldige recidive blijkt.
4.4
Deze klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft de tenuitvoerlegging gegrond op de omstandigheid dat de verdachte zich met de in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feiten voor het einde van in de zaak met parketnummer 03-103614-19 gestelde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De veelvuldige recidive van de verdachte maakte, in combinatie met de ernst van de feiten, ‘slechts’ dat het hof geen aanleiding zag af te zien van tenuitvoerlegging.
4.5
Voor zover de klacht in de toelichting onder 3.6 en 3.7 dat de gestelde onjuiste lezing van de justitiële documentatie door het hof heeft meegespeeld in de strafoplegging als een middel van cassatie moet worden opgevat [3] , geldt dat ook dat niet tot cassatie kan leiden. Uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt wel degelijk van recidive, waarvan ik niet vermag in te zien waarom het hof daarmee bij de strafoplegging geen rekening zou mogen houden. Dat die feiten zijn gepleegd vóór de datum waarop de proeftijd in de zaak met parketnummer 03-103614-19 is gaan lopen, is daarbij – uiteraard – niet van belang.
4.6
Het middel faalt.

5.Slotsom

5.1
Het tweede middel slaagt. Het eerste en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat sprake zal zijn van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof waarnaar de zaak zal moeten worden teruggewezen kan daarmee rekening houden. Gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-047242-23 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden zodat de zaak in zoverre opnieuw kan worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 9 juli 2019, ECL:NL:HR:2019:1146,
2.Steun daarvoor vind ik in het zich bij de stukken bevindende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 september 2023. Uit pagina 1 en 2 van dat uittreksel leid ik af dat de verdachte in ieder geval op 23 september 2020 wegens een poging tot zware mishandeling de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is ontzegd voor de duur van zes maanden en dat de executie daarvan is aangevangen op 7 april 2022. Er komen meerdere rijontzeggingen voor in het uittreksel. Overigens is het ook degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden op de weg een motorrijtuig te besturen, vgl. art. 9 lid 1 WVW 1994.
3.Het middel zelf bevat geen klacht over de strafoplegging.