ECLI:NL:HR:2024:833
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk tegen uitspraak voorzieningenrechter
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland van 20 februari 2024. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep aan de hand van de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Volgens artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie kan de Hoge Raad alleen kennisnemen van cassatieberoepen tegen uitspraken van de bestuursrechter indien de wet dit toestaat. Artikel 28, lid 4, letter c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt uitdrukkelijk dat tegen uitspraken van de voorzieningenrechter die zijn gedaan met toepassing van artikel 8:84, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen cassatieberoep openstaat.
Gelet hierop verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2024.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens wettelijke uitsluiting van cassatie tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter.