ECLI:NL:HR:2024:839
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep wegens niet-betaling griffierecht in belastingzaak
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland in een belastingzaak. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verplichting tot betaling van griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor de betaling.
De brief werd volgens Track&Trace bezorgd op het opgegeven adres, maar het griffierecht werd niet voldaan. Vervolgens kreeg belanghebbende een tweede brief met de mogelijkheid om een reden te geven voor het niet betalen. De ingediende verklaring was onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 7 juni 2024.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.