ECLI:NL:HR:2024:856
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtsherstel box 3 heffing ondanks bezwaar belanghebbende
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de box 3-heffing in de inkomstenbelasting voor het jaar 2018.
Belanghebbende betwistte de aanslag op grond van strijdigheid met artikel 14 EVRM Pro en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Na eerdere vermindering van de aanslag op basis van de Wet rechtsherstel box 3, was in hoger beroep de vraag of verdere vermindering op grond van het werkelijk behaalde rendement moest plaatsvinden.
Het Hof oordeelde dat de heffing verder verminderd moest worden tot het werkelijk behaalde rendement van € 1.195. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het aan de wetgever is om het rechtstekort te herstellen en dat de Herstelwet voldoende was. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat de rechter rechtsherstel moet bieden als de wetgever dat niet toereikend doet.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op. Hiermee blijft de verdere vermindering van de box 3-heffing op basis van het werkelijk behaalde rendement gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de verdere vermindering van de box 3-heffing op basis van het werkelijk behaalde rendement blijft gehandhaafd.