ECLI:NL:HR:2024:865
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt Rechtbankuitspraak over WOZ-waardering en proceskostenvergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelasting 2020, waarbij de waarde van drie onroerende zaken was vastgesteld. De Rechtbank Rotterdam oordeelde dat de heffingsambtenaar de gevraagde stukken op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ had moeten verstrekken en verklaarde het beroep gegrond, met een proceskostenvergoeding gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5.
In hoger beroep vernietigde het Hof Den Haag de uitspraak van de Rechtbank, behalve voor zover deze betrekking had op de waarde van de onroerende zaken, en oordeelde dat de heffingsambtenaar niet verplicht was om meer stukken dan het taxatieverslag te verstrekken voorafgaand aan het hoorgesprek.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en oordeelt dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ verplicht is de gevraagde stukken te verstrekken. Tevens wijst de Hoge Raad het beroep in cassatie toe, veroordeelt het Dagelijks Bestuur en de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierechten en proceskosten, en bevestigt dat de Rechtbank terecht een wegingsfactor van 0,5 toepaste bij de proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank over WOZ-waardering en proceskostenvergoeding.