ECLI:NL:HR:2024:866
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt Rechtbankuitspraak over WOZ-waarde en proceskostenvergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning en de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2020. De Rechtbank Rotterdam oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde niet te hoog had vastgesteld, maar dat de gevraagde stukken op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ verstrekt hadden moeten worden. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en mat de proceskostenvergoeding met een wegingsfactor van 0,5.
In hoger beroep stelde belanghebbende de proceskostenvergoeding ter discussie, terwijl de heffingsambtenaar incidenteel hoger beroep instelde over de verplichting tot het toezenden van stukken voorafgaand aan het hoorgesprek. Het Hof oordeelde dat alleen het taxatieverslag hoefde te worden verstrekt en vernietigde de uitspraak van de Rechtbank, behalve voor zover deze de waarde van de woning betrof.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof vanwege onjuiste toepassing van artikel 40, lid 2, Wet WOZ en bevestigt het oordeel van de Rechtbank. De Hoge Raad wijst erop dat de Rechtbank niet gebonden is aan richtlijnen van een ander gerechtshof omtrent de wegingsfactor. De proceskostenveroordelingen worden bevestigd en het Dagelijks Bestuur en de heffingsambtenaar worden veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof behalve voor de WOZ-waarde en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, met veroordeling in proceskosten.