ECLI:NL:HR:2024:886

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
14 juni 2024
Zaaknummer
22/03612
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 2 SvArt. 246 SrArt. 247 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak feitelijke aanranding en ontucht minderjarige dochters

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijke aanranding van zijn 18-jarige dochter en ontucht met zijn 13-jarige dochter. Het cassatiemiddel betrof de klacht dat het hof het bewijs uitsluitend had gebaseerd op de verklaringen van één getuige, in strijd met artikel 342 lid 2 Sv Pro (unus testis).

De Hoge Raad oordeelt dat de verklaringen van de aangeefsters voldoende steun vinden in ander bewijs, zoals de verklaring van hun moeder die gedragingen van de verdachte bevestigt en gedragsveranderingen bij de dochters heeft waargenomen. Ook de verdachte zelf bevestigt bepaalde contexten waarin het misbruik plaatsvond, wat de verklaringen ondersteunt.

De Hoge Raad concludeert dat het bewijsminimum is gehaald en dat er geen sprake is van schending van artikel 342 lid 2 Sv Pro. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof ongewijzigd in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van de verdachte blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03612
Datum9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2022, nummer 20-000656-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde telkens uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juli 2024.