Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijke aanranding van zijn 18-jarige dochter en ontucht met zijn 13-jarige dochter. Het cassatiemiddel betrof de klacht dat het hof het bewijs uitsluitend had gebaseerd op de verklaringen van één getuige, in strijd met artikel 342 lid 2 Sv Pro (unus testis).
De Hoge Raad oordeelt dat de verklaringen van de aangeefsters voldoende steun vinden in ander bewijs, zoals de verklaring van hun moeder die gedragingen van de verdachte bevestigt en gedragsveranderingen bij de dochters heeft waargenomen. Ook de verdachte zelf bevestigt bepaalde contexten waarin het misbruik plaatsvond, wat de verklaringen ondersteunt.
De Hoge Raad concludeert dat het bewijsminimum is gehaald en dat er geen sprake is van schending van artikel 342 lid 2 Sv Pro. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof ongewijzigd in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van de verdachte blijft in stand.