Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen
4.Beslissing
18 juni 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak is de verdachte, een leraar van 33/36 jaar, door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens ontucht met drie jonge leerlingen van respectievelijk 4, 7 en 8 jaar oud, en het bezit van kinderporno. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof niet zonder deskundigenrapportages tot een oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de jonge leerlingen had mogen komen. Tevens voerde hij aan dat de bewijsklachten met betrekking tot het bezit van kinderporno gegrond waren, met name over de vraag of de afbeeldingen voldeden aan de wettelijke definitie van seksuele gedragingen.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat het hof niet in strijd met het recht heeft gehandeld door zonder deskundigenrapportages de verklaringen van de leerlingen als betrouwbaar te beschouwen. Tevens vond de Hoge Raad geen grond voor vernietiging op de bewijsklachten omtrent het bezit van kinderporno. De Hoge Raad besloot het cassatieberoep te verwerpen zonder nadere motivering, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2023 in stand, waarin de verdachte werd veroordeeld voor ontucht en bezit van kinderporno. De uitspraak werd gedaan door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans op 18 juni 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor ontucht en bezit van kinderporno blijft in stand.