Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
25 juni 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 januari 2023, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot afpersing door samen met een incasseur een ander te dwingen een schuldbekentenis te ondertekenen.
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. In cassatie werd onder meer betoogd dat het hof onvoldoende motieven had gegeven voor het opleggen van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om nadere motivering te geven, aangezien de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep is derhalve verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink als voorzitter, met de raadsheren Röttgering en Posthumus, op 25 juni 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt bevestigd met een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uur.