Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
3.Beslissing
26 januari 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of bij toepassing van artikel 40e van de oude Onteigeningswet rekening moet worden gehouden met de beperkende criteria van artikel 6.1 van de oude Wet ruimtelijke ordening (Wro) met betrekking tot planschadevergoeding.
De Gemeenschappelijke Regeling Bedrijvenschap Harnaschpolder, als eiseres, had beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2022. De onteigende stelde een incidenteel cassatieberoep in. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten over het vonnis van de rechtbank beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het vonnis. De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het principale en incidentele beroep verworpen en beide partijen veroordeeld in de proceskosten. Dit arrest is gewezen door de vicepresident Kroeze als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Lock.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt zowel het principale als het incidentele cassatieberoep en bevestigt het vonnis van de rechtbank.