Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 januari 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de onteigende cassatie ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2022 betreffende de vergoeding van planschade in een onteigeningsgeding op grond van artikel 40e van de oude Onteigeningswet. De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instantie naar eerdere vonnissen van de rechtbank uit 2018, 2019 en 2022.
De klachten van de onteigde zijn door de Hoge Raad beoordeeld, maar deze leiden niet tot vernietiging van het vonnis. De Hoge Raad acht het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van de onteigde schriftelijk heeft gereageerd. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en de onteigde veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, inclusief wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Het arrest is gewezen door de vicepresident en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de onteigende wordt verworpen en deze wordt veroordeeld in de proceskosten.