ECLI:NL:HR:2024:96

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2024
Publicatiedatum
25 januari 2024
Zaaknummer
22/02361
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40e OwArt. 6.1 WroArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake vergoeding planschade bij onteigening

In deze zaak heeft de onteigende cassatie ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2022 betreffende de vergoeding van planschade in een onteigeningsgeding op grond van artikel 40e van de oude Onteigeningswet. De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instantie naar eerdere vonnissen van de rechtbank uit 2018, 2019 en 2022.

De klachten van de onteigde zijn door de Hoge Raad beoordeeld, maar deze leiden niet tot vernietiging van het vonnis. De Hoge Raad acht het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van de onteigde schriftelijk heeft gereageerd. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en de onteigde veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, inclusief wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Het arrest is gewezen door de vicepresident en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de onteigende wordt verworpen en deze wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer22/02361
Datum26 januari 2024
ARREST
In de zaak van
[de onteigende],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [de onteigende],
advocaat: J.P. van den Berg,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BEDRIJVENSCHAP HARNASCHPOLDER,
gevestigd te Schipluiden,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: het Bedrijvenschap,
advocaat: M.W. Scheltema.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/09/548017/ HA ZA 18-183 van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2018, 5 juni 2019, 10 juli 2019 en 4 mei 2022.
[de onteigende] heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 4 mei 2022 beroep in cassatie ingesteld.
Het Bedrijvenschap heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [de onteigende] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het vonnis van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat vonnis. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie). Vgl. HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:85.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de onteigende] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Bedrijvenschap begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de onteigende] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
26 januari 2024.