Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
25 juni 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 juni 2022, waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Het betrof profijtontneming wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot drugstransporten en deelname aan een criminele organisatie.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Het hof had onder meer de methode van eenvoudige kasopstelling toegepast op grond van artikel 36e lid 2 oud Strafrecht. Tevens werd geoordeeld over de vraag of de staat wettelijke rente moest vergoeden over inbeslaggenomen geldbedragen en opbrengsten van verkoop van inbeslaggenomen goederen.
Een verzoek tot het horen van vier getuigen werd door het hof afgewezen, hetgeen in cassatie niet tot vernietiging leidde. De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de vragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Den Haag wordt bevestigd.