ECLI:NL:HR:2024:963

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
27 juni 2024
Zaaknummer
23/00259
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak in cassatie bevestigd voor doodslag op jong kind door val met hoofdtrauma

De zaak betreft een verdachte die werd beschuldigd van doodslag door het met kracht op het hoofd gooien en/of laten vallen van het 1 jaar en 9 maanden oude dochtertje van zijn vriendin, wat leidde tot fataal hersenletsel. In eerste aanleg werd verdachte vrijgesproken. Het hof Amsterdam bevestigde deze vrijspraak, waarbij het onder meer oordeelde dat de kans op overlijden door een dergelijk fors impacttrauma aan het hoofd aanmerkelijk is en dat verdachte dit bekend mocht worden verondersteld.

De verdediging voerde in cassatie verschillende klachten aan, waaronder een bewijsklacht over voorwaardelijk opzet, innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering over de complexiteit van de val, het ontbreken van verklaringen van een forensisch patholoog in het verkorte arrest, en een betrouwbaarheidsverweer tegen de gebruikte deskundigenrapportage. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden.

Het hof had de complexiteit van de val beoordeeld aan de hand van de door verdachte zelf gegeven verklaring en vond deze onvoldoende om het letsel te verklaren. De verklaring van de deskundige uit eerste aanleg bevatte geen bewijsrelevante feiten, en het aanvullende rapport was niet als bewijsmiddel gebruikt. De Hoge Raad volgde de conclusie van de advocaat-generaal en verwierp het cassatieberoep zonder nadere motivering.

Hiermee blijft de vrijspraak van verdachte in stand, en is het arrest van het hof Amsterdam definitief bevestigd door de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte voor doodslag wegens onvoldoende bewijs van voorwaardelijk opzet.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00259
Datum3 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 januari 2023, nummer 23-001673-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel

2.1
De cassatiemiddelen komen met verschillende klachten op tegen de bewezenverklaring en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 tot en met 24.

3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 september 2024.