Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.Beslissing
28 juni 2024.
Hoge Raad
In deze zaak staat de procedure over de aansprakelijkheid van de Staat centraal, waarbij het ging om de bekostiging van een procedure tussen een rechter en een journalist. De Staat stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof van 21 maart 2023, waarin het hof een uitspraak deed over de aansprakelijkheid van de Staat.
De Hoge Raad heeft de klachten van de Staat beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de klachten nader te motiveren, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van de journalist behoeft geen behandeling, omdat het slagen van de klachten van de Staat niet is gebleken. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Staat en veroordeelt de Staat tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de journalist, bestaande uit verschotten en salaris, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Het arrest is gewezen door de vicepresident als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 28 juni 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Staat en veroordeelt de Staat in de proceskosten.