ECLI:NL:PHR:2024:541

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2024
Publicatiedatum
16 mei 2024
Zaaknummer
23/02390
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:14 BWArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 ROArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid Staat voor financiering procedure rechter tegen journalist wegens onrechtmatig handelen

Deze zaak betreft de vraag of de Staat gehouden is tot schadevergoeding aan een journalist, omdat de Raad voor de rechtspraak een procedure financierde die een voormalig vicepresident van de rechtbank Den Haag tegen de journalist voerde. De journalist had een boek gepubliceerd met beschuldigingen tegen de rechter, waarna de rechter een procedure startte wegens aantijgingen in het boek.

De rechtbank wees de vordering van de journalist af, maar het hof stelde vast dat de Staat onrechtmatig handelde door het bekostigen van het hoger beroep van de rechter tegen de journalist. De Staat stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd trad en dat het oordeel over de onrechtmatigheid van het bekostigen van het hoger beroep voldoende gemotiveerd was.

De procedure speelde zich af tegen de achtergrond van eerdere procedures waarbij de rechter onrechtmatig had gehandeld en misbruik van procesrecht was vastgesteld. De Raad voor de rechtspraak had de kosten van de rechter gefinancierd, wat volgens het hof en de Hoge Raad onrechtmatig was vanaf het hoger beroep. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staat en bevestigde de aansprakelijkheid voor de schadevergoeding aan de journalist.

Uitkomst: De Staat is aansprakelijk voor schadevergoeding aan de journalist wegens het onrechtmatig financieren van het hoger beroep van de rechter tegen hem.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02390
Zitting17 mei 2024
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)
advocaat: mrs. G.C. Nieuwland en M.E.A. Möhring
tegen
[de journalist]
advocaat: mr. A.H. Vermeulen

1.Inleiding en samenvatting

Deze zaak is een van de procedures die is gevolgd op de procedure die een rechter uit de rechtbank Den Haag in 2004 aanspande tegen een journalist, verweerder in cassatie, omdat hij een boek had gepubliceerd waarin hij verslag deed van een gesprek met een advocaat die de bewuste rechter ervan beschuldigde in de Chipshol-zaak voorafgaand aan een zitting met advocaten te hebben gebeld. In de nu voorliggende procedure vordert de journalist schadevergoeding van de Staat (en de Raad voor de rechtspraak) omdat zij de procedure van de rechter tegen de journalist hebben gefinancierd.
De rechtbank heeft de vordering afgewezen, maar het hof heeft de vordering toegewezen voor zover het gaat om het besluit om ook de procedure in hoger beroep van de rechter te financieren. De cassatieklachten die de Staat tegen de beslissing van het hof aanvoert kunnen m.i. niet slagen

2.Feiten

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 21 maart 2023, rov. 6.2.1-6.2.14. [1]
2.1
[de journalist] is journalist (hierna: de journalist). Hij heeft een boek geschreven met de titel " [de titel] " (hierna: het boek). Het boek is in [jaar] uitgegeven door Memory Productions in een oplage van 2.000 stuks.
2.2
Het boek bevat een weergave van gesprekken van de journalist met negen advocaten, onder wie [de advocaat] (hierna: de advocaat). De advocaat was betrokken bij procedures in de zogenaamde Chipshol-zaak in verband met grond bij de luchthaven Schiphol. In het boek doet de advocaat daarvan verslag. Het betreffende hoofdstuk eindigt met de volgende alinea:
"Tenslotte: hoe is het mogelijk dat zowel Rechtbank, Hof als Hoge Raad het ongekend onrechtmatig handelen van Coopers ongemoeid hebben gelaten en de schadeclaim hebben afgewezen? Had [de advocaat] hier niet meer uit moeten of kunnen halen? Hij zoekt naar een verklaring: "Het lijkt wel of onze rechterlijke macht mentaal niet is toegerust om te oordelen over dit soort financiële megabelangen. Bij [de] rechter heerst een enorme vrees voor 'Amerikaanse toestanden'. Op zichzelf is dat best een goede grondhouding; zelf ben ik ook geen voorstander van extreem hoge schadevergoedingen. Maar soms, zoals in het geval van Chipshol, een bedrijf dat nota bene bewust bijna kapot is gemaakt door de eigen accountant kan inderdaad schade optreden van honderden miljoenen. En [dan, hof] moet een rechter niet bang zijn om doortastend op te treden en het recht toe te passen. Maar bij grote claims leert de ervaring dat Nederlandse rechters nerveus worden. Er gaan opeens gekke dingen gebeuren, zoals rechters die [uitvoerig, hof] met advocaten gaan bellen over de zaak. In de Chipsholzaak is dat ook gebeurd met [de rechter] van de Haagse Rechtbank. Nederland lijkt wel te klein voor grote claims. Iedereen kent elkaar. Laten we dat een variant noemen van ons poldermodel"."
2.3
[de rechter] (hierna: de rechter) was toen vicepresident in de rechtbank Den Haag. Hij heeft onder meer op 8 december 1994 een pleidooi in een tweetal procedures in verband met de Chipshol-zaak voorgezeten.
2.4
In april 2004 is de rechter een procedure begonnen tegen de advocaat, de journalist en Memory Productions, waarin hij onder meer schadevergoeding van de journalist heeft gevorderd op grond van aantijgingen jegens hem in het boek. De journalist heeft in die procedure (met Memory Productions) een tegenvordering ingesteld, die inhield dat voor recht wordt verklaard dat de publicatie en uitgave van het boek met de citaten daarin van de advocaat niet onrechtmatig jegens de rechter zijn.
2.5
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2005 zijn de vorderingen van de rechter jegens de journalist afgewezen en is de door de journalist (en Memory Productions) gevorderde verklaring voor recht toegewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen:
“In het navolgende wordt veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat de uitlating van de advocaat tegenover de rechter onrechtmatig was (...) Dit uitgangspunt betekent nog niet dat de journalist en Memory onrechtmatig jegens de rechter hebben gehandeld door de uitlating te (doen) publiceren. (...) De volgende omstandigheden zijn hier van belang: (...)
Deze omstandigheden tegen elkaar afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de geciteerde uitlating van de advocaat niet van dien aard was dat deze niet (...) door de journalist en Memory had mogen worden gepubliceerd, zonder onderzoek naar de juistheid van de beweringen en zonder vermelding van het standpunt van de rechter. Dit geldt ook indien mocht blijken dat de advocaat door het doen van de uitlating jegens de rechter onrechtmatig heeft gehandeld wegens het ontbreken van een voldoende feitelijk juiste basis."
2.6
De rechter is in hoger beroep gekomen van dit vonnis. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 23 juni 2009 het vonnis van de rechtbank Rotterdam, voor zover het de door de rechter jegens de journalist ingestelde conventionele vordering betreft, bekrachtigd. Het gerechtshof heeft daartoe onder meer overwogen:
“Bij de beantwoording van de vraag of [Memory Productions en de journalist] onrechtmatig hebben gehandeld door de (sub)passage te publiceren zijn de volgende omstandigheden van belang. (...).
In het licht van deze omstandigheden en gelet op (...) kan niet gezegd kan worden, dat het de journalist duidelijk had moeten zijn dat - zoals de rechter stelt maar niet vaststaat – de subpassage onwaarheid bevatte en/of dat de journalist het citaat anderszins lichtvaardig heeft opgenomen en daardoor de rechter (...) onrechtmatig heeft blootgesteld aan de suggestie dat hij niet onpartijdig of onafhankelijk was. Dat de journalist de inhoud van de bewering van de advocaat niet bij de rechter heeft gecontroleerd, doet hieraan niet af. Het ging om interviews en van de journalist kon niet verlangd worden dat hij elk onderdeel van hetgeen hem in de interviews werd verteld (in detail) zou controleren. (...). Naar het oordeel van het hof is het aannemen van onrechtmatigheid hier (...) ook niet verenigbaar met de rol van journalisten om informatie te verschaffen over actuele gebeurtenissen, meningen en ideeën.”
2.7
De tegenvordering van de journalist (en Memory Productions) heeft het hof afgewezen.
2.8
De rechter is door zowel de rechtbank als het gerechtshof in conventie in de proceskosten van de journalist veroordeeld. De proceskosten, begroot op basis van het liquidatietarief, zijn aan de journalist betaald.
2.9
De kosten van de rechter voor het voeren van de voornoemde procedures zijn betaald door de Raad voor de rechtspraak.
2.1
De procedure van de rechter tegen de advocaat is uiteindelijk geëindigd in een royement op verzoek van beide partijen, nadat het gerechtshof ’s-Gravenhage had geoordeeld dat, behoudens (nader) door de rechter te leveren tegenbewijs, bewezen werd geacht dat de rechter voorafgaand aan de pleidooien op 8 december 1994 een telefoongesprek had gevoerd met de advocaat.
2.11
Bij brief van 3 mei 2006 heeft de Raad voor de rechtspraak (in de persoon van [betrokkene 1] ) aan J. de Wit, lid van de Tweede-Kamer-fractie van de SP, het volgende geschreven (mijn onderstrepingen):
"Graag doe ik een poging de vragen te beantwoorden die u stelde in uw brief van 27 april 2006.
Algemeen kader
In 2004 zijn tussen de Raad en de gerechten (met uitzondering van de Hoge Raad) afspraken gemaakt over de behandeling van claims die tegen de Staat der Nederlanden aanhangig worden gemaakt wegens het optreden van (bestuurders, leden en personeel van) die gerechten. Daarbij komt een groot gewicht toe aan het oordeel van het betrokken gerechtsbestuur, al zijn categorieën van zaken omschreven waarin als regel verweer zal worden gevoerd, ook als het geldelijke belang gering is. Zaken waarin de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren, gerechtsbestuurders en leden van de Raad in het geding is behoren ook tot die categorieën. De afspraken kunnen, zo is in juni 2004 ook vastgelegd, op overeenkomstige wijze worden toegepast indien het instellen van een vordering dóór de Staat der Nederlanden wordt overwogen. Ook is er rekening mee gehouden dat in uitzonderlijke gevallen het instellen van een vordering dóór een rechter op overeenkomstige wijze kan worden behandeld. Voor de laatstbedoelde gevallen is als extra procedurele waarborg vastgelegd dat dan een lid van het betrokken gerechtsbestuur, niet zijnde de direct betrokken persoon, het verloop van de zaak van zeer nabij volgt.
Specifieke omstandigheden
In de door u genoemde aangelegenheid is sprake van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld.
Namens de betrokken rechter is, na daartoe strekkend advies van de Landsadvocaat, een procedure aanhangig gemaakt tegen een journalist, diens uitgever en de bron van de journalist.
De bron, een advocaat en procureur, had aantijgingen geuit van ernstige aard die het aanzien van de rechter, het ambt en de rechterlijke macht schaadden. De journalist heeft op geen enkele manier geprobeerd de juistheid van die aantijgingen te verifiëren of zelfs maar de betrokkene of het betrokken gerecht de gelegenheid gegeven zich uit te spreken over (de onjuistheid van) de aantijging.
In de door u genoemde procedures is het dus niet zo dat de Raad zich stelt achter het standpunt van de betrokken rechter. Het is veeleer zo dat de Raad en het betrokken gerechtsbestuur zélf zich op het standpunt stellen dat het handelen van de advocaat en van de journalist (en diens uitgever) niet door de beugel kan en schadelijk is voor het functioneren van de rechtspraak. Er is ook geen sprake van een vergoeding aan de betrokken rechter: in dit uitzonderlijke geval is, vanwege het belang van de rechtspraak en het betrokken gerecht, de procedure op één lijn gesteld met de situatie waarin een rechter of gerechtsbestuurder uit hoofde van de functie in rechte wordt aangesproken. In zulke gevallen geeft de Raad, na overleg met de president van het betrokken gerecht, aan de Landsadvocaat opdracht de betrokkene bij te staan. Dat de Raad als opdrachtgever de verschuldigde declaraties voldoet spreekt daarbij vanzelf.
Er is dus geen sprake van dat de betrokken rechter op eigen initiatief procedeert op kosten van de gemeenschap, of dat alle rechters die procederen in zaken die met hun werk te maken hebben, een vergoeding zouden krijgen. Overigens is mij geen andere zaak bekend van een rechter die als eisende partij heeft moeten optreden in verband met zijn functie. Zoals gezegd, het gaat hier (gelukkig) om een zeer uitzonderlijke zaak. Naar aanleiding van uw vraag, of rekening is gehouden met de invloed die van de beslissing van de Raad en het betrokken gerechtsbestuur kan uitgaan op de rechters die de zaak behandelen, kan ik u nog meedelen dat in het algemeen de Raad en de gerechten zeer terughoudend zijn bij een beslissing om als partij (zij het eiser of gedaagde) in rechte op te treden, eventueel ook als eisende partij in hoger beroep. Daarbij speelt enerzijds een rol dat de rechtspraak ernaar streeft om zelfs de schijn van belangenverstrengeling te vermijden en anderzijds dat de indruk bestaat dat, als er al een invloed uitgaat van de bijzondere rol van een orgaan van de rechtspraak als procespartij, die invloed voor ons eerder ongunstig is. Maar die terughoudendheid mag niet ertoe leiden dat aan gerechtvaardigde belangen van de Staat der Nederlanden afbreuk wordt gedaan.
“Een regeling die het mogelijk maakt dat rechters op eigen initiatief, maar op kosten van de gemeenschap, procederen " bestaat dus niet. In de door u bedoelde procedures is ook van een daarmee overeenkomende situatie geen sprake.”
2.12
Bij brieven van 24 maart 2010 en 1 juni 2010 heeft (de advocaat van) de journalist de Raad voor de rechtspraak aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van - kort gezegd - de procedure die de rechter tegen hem heeft aangespannen.
2.13
Vervolgens heeft (de advocaat van) de journalist bij brieven van 23 april 2012 de rechter alsmede de Raad voor de rechtspraak (nogmaals) aansprakelijk gesteld. In zijn brief van 23 april 2012 aan de Raad voor de rechtspraak heeft de advocaat, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:
“(...) Zoals u weet is cliënt vanaf april 2004 gedurende ruim vijf jaren als gedaagde, respectievelijk geïntimeerde, betrokken geweest in een gerechtelijke procedure, welke [de rechter] (onder meer) tegen hem aanhangig heeft gemaakt, naar aanleiding van de publicatie in het door cliënt geschreven boek “ [de titel] .” Bij vonnis van 14 december 2005 heeft de rechtbank Rotterdam de vorderingen jegens cliënt integraal afgewezen, welk vonnis (in conventie) door het hof Den Haag bij arrest van 23juni 2009 is bekrachtigd. Dienaangaande schreef ik [de rechter] heden conform inliggende kopie. (...) Zoals daarin aangegeven, heeft uw Raad de advocaat- en proceskosten van [de rechter] gefinancierd, terwijl die kosten aan de zijde van cliënt geheel te zijnen laste zijn gekomen. Door de uitspraak van het hof is komen vast te staan dat [de rechter] zich jegens cliënt schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid cq. misbruik van procesrecht door de betreffende procedure tegen hem te beginnen. Bij de aanvang van die procedure wist hij immers, althans behoorde hij te weten, dat zijn vordering jegens cliënt was gegrond op een onwaarheid. Ook uw raad heeft zich, door die procedure te financieren c.q. daarin feitelijk zelf als opdrachtgever te fungeren, jegens cliënt zich schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad. Cliënt verwijt uw raad onder meer dat u onvoldoende heeft onderzocht, of de gronden van de vorderingen van [de rechter] op waarheid waren gebaseerd en enigszins met bewijzen konden worden gestaafd. Het tegendeel lijkt eerder het geval te zijn geweest: uw Raad is er kennelijk voorshands vanuit gegaan, dat de gewraakte passages in voornoemde publicatie niet op waarheid waren gebaseerd. Dat blijkt onder meer uit de brief van 3 mei 2006 van uw Raad aan J. de Wit, lid van de Tweede Kamer-fractie van de SP (...)
Door de proceskosten van [de rechter] te financieren c.q. feitelijk zelf opdracht te geven tot die procedure, heeft uw Raad met name het beginsel van equality of arms geschonden, als onder meer neergelegd in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Door de ook door uw Raad jegens cliënt begane onrechtmatige daad heeft cliëntschade geleden. Voor die schade stel ik ook u aansprakelijk. (...) "
2.14
De gestelde aansprakelijkheid en schadeplichtigheid zijn door de Raad voor de rechtspraak van de hand gewezen.
2.15
Daarop is de journalist de nu voorliggende procedure gestart tegen de Staat en de Raad voor de rechtspraak.
Andere procedures tussen de rechter, de journalist en de advocaat
2.16
De journalist heeft ook een afzonderlijke procedure gevoerd tegen de rechter. Daarin vorderde hij schadevergoeding, op te maken bij staat, gegrond op de stelling dat de rechter onrechtmatig heeft gehandeld door tegen beter weten in een procedure tegen hem te starten. Bij vonnis van 19 februari 2014 heeft de rechtbank die vordering afgewezen en de tegenvordering tot opheffing van het conservatoir beslag toegewezen. [2] In hoger beroep heeft het hof ’s-Hertogenbosch bij tussenarrest van 16 januari 2018 de rechter toegelaten tot tegenbewijs tegen de stelling dat telefonisch contact tussen hem en de advocaat feitelijk heeft plaatsgevonden. [3]
2.17
De rechter heeft cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 19 april 2019 met toepassing van art. 81 RO Pro verworpen. [4] Vervolgens heeft het hof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 26 mei 2020 het vonnis van de rechtbank vernietigd en de rechter veroordeeld tot, kort gezegd, schadevergoeding aan de journalist, op te maken bij staat. [5]
2.18
Ook de advocaat heeft een vordering ingesteld tegen de rechter wegens misbruik van procesbevoegdheid. Bij vonnis van 17 juni 2015 heeft de rechtbank Amsterdam voor recht verklaard dat de rechter onrechtmatig jegens de advocaat heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem aan hem toegebrachte schade. [6] De rechtbank heeft de rechter veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 10.000,- voor immateriële schade wegens schending van de eer en goede naam van de advocaat. Bij arrest van 7 maart 2017 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarin voor recht is verklaard dat de rechter onrechtmatig jegens de journalist heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door hem toegebrachte schade. [7]
2.19
Bij arrest van 23 november 2018 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep dat de rechter tegen dit tussenarrest had ingesteld verworpen. [8]
2.2
Hierna heeft het hof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 21 januari 2020 de rechter veroordeeld tot betaling aan de advocaat van € 242.040,50 voor advocaatkosten, € 25.000,- wegens reputatieschade en in totaal € 1.150.000,- wegens inkomensschade. [9]
2.21
De advocaat heeft ook een vordering ingesteld tegen de Staat. Bij eindvonnis 17 juni 2015 heeft de rechtbank Amsterdam de vorderingen van de advocaat tegen de Staat afgewezen. [10] Bij arrest van 7 maart 2017 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor recht verklaard dat de Staat onrechtmatig jegens de advocaat heeft gehandeld, doch uitsluitend voor wat betreft de brief van 3 mei 2006 van de Raad voor de rechtspraak aan de Tweede Kamerfractie van de SP. Op dat punt is de Staat veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de stelling dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de procedure van de rechter te financieren, heeft het hof de vorderingen afgewezen. [11]
2.22
Het door de Staat tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is bij arrest van 23 november 2018 verworpen. Het door de journalist opgeworpen incidentele cassatiemiddel tegen de beslissing van het hof dat de procesfinanciering door de Staat niet onrechtmatig was, is door de Hoge Raad afgedaan met art. 81 RO Pro. [12]

3.Het procesverloop

3.1
Bij dagvaarding van 30 oktober 2012 heeft de journalist gevorderd dat de Staat en de Raad voor de rechtspraak zullen worden veroordeeld om aan hem de schade te vergoeden die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van hun onrechtmatig handelen. Dat onrechtmatig handelen is erin gelegen dat de Staat en de Raad voor de rechtspraak de proceskosten van de rechter tegen de journalist hebben gefinancierd c.q. zelf opdracht hebben gegeven om die procedure te voeren, zonder behoorlijk onderzoek te doen naar de juistheid van de stellingen die de rechter aan zijn vorderingen tegen de journalist ten grondslag had gelegd. Dat klemt temeer nu de Staat en de Raad voor de rechtspraak zelf geen belang hadden bij die procedure en de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak zich daarvan had gedistantieerd, maar zij wel ongelimiteerde financiële middelen hebben om tegen de journalist te procederen. Dat leidt tot strijd met de beginselen van een
fair trialen
equality of arms.Zonder de financiële steun die de rechter door de Staat en de Raad voor de rechtspraak is geboden, had de rechter nooit zo lang door kunnen gaan met zijn juridische strijd tegen de journalist en de advocaat.
3.2
De Staat en de Raad voor de rechtspraak hebben verweer gevoerd.
3.3
Bij tussenvonnis van 26 juni 2013 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.
3.4
Ten behoeve van de comparitie heeft de journalist bij akte van 6 november 2013 nadere stukken in het geding gebracht en zijn standpunt inhoudelijk nader toegelicht.
3.5
De (meervoudige) comparitie heeft plaatsgevonden op 21 november 2013 bij de rechtbank Amsterdam, waarbij van de zijde van de Staat pleitaantekeningen zijn overgelegd. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.
3.6
Bij vonnis van 19 februari 2014 heeft de rechtbank de vorderingen van de journalist tegen de Staat afgewezen. De journalist is niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen die hij tegen de Raad voor de rechtspraak had ingesteld.
3.7
De journalist heeft hoger beroep ingesteld tegen zowel het tussenvonnis als het eindvonnis.
3.8
Vervolgens heeft de journalist een ‘incidentele memorie en voorwaardelijke memorie van grieven’ genomen. Hierbij heeft hij op grond van art. 843a Rv gevorderd dat de Staat zal worden bevolen om het advies van de landsadvocaat waarnaar [betrokkene 1] in zijn antwoord aan mr. De Wit van de SP-fractie verwees (zie onder 2.11) te overleggen, althans daarover tekst en uitleg te geven. Tevens heeft de journalist in de hoofdzaak (ongenummerde) grieven aangevoerd en verzocht om, nadat hij inzage heeft verkregen in het advies van de landsadvocaat, aanvullende grieven te mogen nemen.
3.9
De Staat en de Raad voor de rechtspraak hebben een memorie van antwoord genomen. Daarin is geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vorderingen jegens de Raad voor de rechtspraak en tot afwijzing van de incidentele vordering tot inzage en verwerping van de grieven in de hoofdzaak.
3.1
Bij arrest van 16 juni 2015 heeft het hof Den Haag de zaak verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch.
3.11
Vervolgens heeft de zaak enige tijd stilgelegen.
3.12
Bij exploot van 15 juni 2020 heeft de journalist de Staat en de Raad van rechtspraak opgeroepen om verder te procederen.
3.13
Bij arrest van 8 september 2020 heeft het hof ‘s-Hertogenbosch de incidentele vordering tot inzage in het advies van de landsadvocaat afgewezen.
3.14
Vervolgens heeft op 20 september 2022 een mondelinge behandeling van de procedure in de hoofdzaak plaatsgevonden. Beide partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van pleitnotities. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
3.15
Bij arrest van 21 maart 2023 heeft het hof ’s-Hertogenbosch de journalist niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 26 juni 2013. [13] Verder heeft het hof het eindvonnis van 19 februari 2014 vernietigd voor zover de vordering van [de journalist] tegen de Staat is afgewezen en de journalist is veroordeeld in de proceskosten van de Staat en de Raad voor de rechtspraak. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof de Staat veroordeeld om aan de journalist te vergoeden de schade die het gevolg is van het feit dat de Staat de procedure heeft gefinancierd die de rechter tegen hem heeft gevoerd, vanaf de procedure in hoger beroep, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten tussen de journalist en de Staat zijn van beide instanties gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
3.16
Bij procesinleiding van 22 juni 2023 heeft de Staat tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 21 maart 2023. De journalist heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping. Tevens heeft hij voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele cassatieberoep. Vervolgens heeft de Staat een schriftelijke toelichting genomen waarin nader is ingegaan op het incidentele cassatieberoep. Ten slotte is namens de journalist gedupliceerd.

4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep

Onderdeel 1

4.1
Bij
onderdeel 1.1voert de Staat aan dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te beslissen dat onvoldoende is gebleken dat het besluit van de Staat om de kosten van het hoger beroep van de rechter te betalen, een algemeen belang diende. Door de journalist is namelijk niet gegriefd tegen de beslissing van de rechtbank in rov. 4.11 dat het besluit van de Staat om de proceskosten te vergoeden (mede) een algemeen belang diende.
4.2
Onderdeel 1.2houdt in dat als het hof heeft gemeend dat de journalist wel voldoende kenbaar heeft gegriefd tegen de bedoelde beslissing van de rechtbank in rov. 4.11, het hof een onjuiste en/of onbegrijpelijke uitleg aan de grieven heeft gegeven. Bovendien is het oordeel van het hof dan innerlijk tegenstrijdig, omdat het hof zelf vaststelt dat geen grief is gericht tegen rov. 4.11.
4.3
Voor zover het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op wat door de journalist bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is aangevoerd, is het hof ook daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, zo wordt bij
onderdeel 1.3aangevoerd.
4.4
Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
4.5
In het vonnis van 19 februari 2014 heeft de rechtbank in rov. 4.11 het volgende overwogen:
“Of de Staat als opdrachtgever in de procedure van [de rechter] tegen hem is opgetreden, zoals [de journalist] stelt doch door de Staat wordt betwist, kan buiten beschouwing blijven, nu dit voor de beoordeling van de onrechtmatigheid geen verschil maakt. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden dient de Staat de geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht in acht te nemen (artikel 3:14 BW Pro), waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (o.a. HR 24 april 1992, LJN ZC0582). In de onderhavige zaak had het besluit van de Staat om de proceskosten van [de rechter] te betalen (mede) tot doel het dienen van een algemeen belang, te weten het beschermen van de integriteit van de rechtspraak in het algemeen. Dit is een zwaarwegend maatschappelijk belang. Het ging naar de overtuiging van [de rechter] en de Staat om de publicatie van aantijgingen van ernstige aard, die het aanzien van de rechter, het ambt en de rechterlijke macht schaadden. [De rechter] stelde zich volgens de Staat terecht op het standpunt dat [de journalist] ten onrechte had nagelaten de juistheid van die aantijgingen te verifiëren of zelfs maar de betrokkene of het betrokken gerecht de gelegenheid te geven zich uit te spreken over (de onjuistheid van) de aantijging.
Uitgangpunt is dat de Staat bij het dienen van dat algemene belang een zekere beleids- en beoordelingsruimte toekomt. Ter beoordeling ligt voor of de Staat in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.”
4.6
Deze overweging moet zo worden begrepen, dat de rechtbank hier het beoordelingskader uiteenzet en weergeeft dat – naar het standpunt van de Staat – het besluit om de proceskosten van de rechter te betalen (mede) tot doel had het dienen van het algemeen belang, en dat – naar de overtuiging van de rechter en de Staat – het hier ging om aantijgingen van ernstige aard, die het aanzien van de rechter, het ambt en de rechterlijke macht schaadden. De overweging wordt afgesloten met de vraag of de Staat, gegeven de beleids- en beoordelingsruimte die de Staat toekomt, in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Die vraag beantwoordt de rechtbank vervolgens in rov. 4.12-4.14, waarbij de conclusie is dat de Staat niet lichtvaardig heeft besloten tot betaling van de kosten van de rechter.
4.7
Als de zinsnede in rov. 4.11 dat het besluit van de Staat om de proceskosten van de rechter te betalen (mede) tot doel had het algemeen belang te dienen in deze context wordt gelezen, dan is duidelijk dat daarmee door de rechtbank niet is bedoeld te beslissen
dathet betalen van de proceskosten van de rechter door de Staat in dit concrete geval
inderdaadhet algemeen belang diende. De strekking van de overweging is slechts dat de Staat zich bij zijn besluit om de proceskosten te vergoeden, (mede) heeft laten leiden door het – in zijn perceptie – betrokken algemene belang (zoals de Staat, naar ik hoop, zich bij élk besluit mede laat leiden door het algemeen belang).
4.8
In rov. 6.4.9-6.4.10 overweegt het hof dat de beslissing van de Staat om de kosten van het hoger beroep van de rechter te financieren een andere reden had dan het aanvankelijke belang van de bescherming van de rechtspraak, en dat de Staat niet duidelijk heeft gemaakt waarom het bekostigen van het hoger beroep ook toen nog in het algemeen belang was. Het hof heeft hiermee gerespondeerd op de (niet puntsgewijs opgesomde) grieven van de journalist tegen het vonnis van de rechtbank. Die grieven hielden in dat de Staat onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feiten, [14] terwijl het al dan niet juist zijn van de stellingen van de rechter van wezenlijk belang hadden moeten zijn bij zijn beslissing om de procedure van de rechter te financieren; [15] dat de Raad voor de rechtspraak nooit bekend is geweest met het appeladvies van de landsadvocaat; [16] dat de Staat dus wel lichtvaardig zijn besluit heeft genomen [17] en dat het belang van de Staat (het weerspreken van de suggestie dat de rechter heeft getracht partijen te beïnvloeden) voldoende zou zijn gediend met het financieren van de procedure van de rechter tegen de
advocaat. [18] Deze grieven kunnen redelijkerwijs niet anders worden begrepen, dan dat daarmee in wezen wordt betoogd dat de beslissing van de Staat om de procedurekosten van de rechter te financieren in dit concrete geval juist níet het algemeen belang diende.
4.9
Daarmee is de conclusie dat het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden (onderdeel 1.1), en evenmin een onbegrijpelijke uitleg aan de grieven van de journalist heeft gegeven (onderdeel 1.2). Aan onderdeel 1.3 wordt niet toegekomen.
4.1
Volgens
onderdeel 1.4is het hof ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door in rov. 6.4.9 te overwegen dat voor het oordeel dat de Staat in redelijkheid niet kon beslissen om het hoger beroep te bekostigen, de in de opsommingstekens genoemde omstandigheden van belang zijn. Op deze omstandigheden is in de memorie van grieven namelijk geen beroep gedaan. Als het hof heeft gemeend dat de journalist in de memorie van grieven wel een beroep heeft gedaan op de bedoelde omstandigheden, dan is die uitleg onjuist en/of onbegrijpelijk.
4.11
Het gaat om de volgende overweging:
“6.4.9. Het hof is echter van oordeel dat de Staat niet in redelijkheid kon beslissen om zo te blijven handelen, meer specifiek, om ook het hoger beroep te bekostigen. Daartoe acht het hof het volgende van belang:
- de rechtbank had de Staat bij vonnis van 14 december 2005 in het ongelijk gesteld;
- de Raad voor de rechtspraak was aanvankelijk niet bereid om een hoger beroep te bekostigen; uit de aantekeningen gemaakt op een print van een e-mail van 7 februari 2006 van [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] en [betrokkene 3] blijkt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] allebei van mening waren dat er geen hoger beroep moest worden ingesteld (althans bekostigd);
- uit het memo van 24 februari 2020 (A-G: bedoeld zal zijn
2010) blijkt dat de Raad voor de rechtspraak dit besluit ook zo heeft genomen;
- pas nadat [betrokkene 2] aangaf dat de rechtbank Den Haag dan de kosten van het hoger beroep voor haar rekening zou nemen, heeft de Raad voor de rechtspraak alsnog het hoger beroep bekostigd (dat blijkt uit het memo van 24 februari 2010), omdat het volgens [betrokkene 1] ‘niet passend’ was dat de rechtbank Den Haag de kosten zou gaan dragen;
- [betrokkene 2] heeft in zijn e-mail zich afgevraagd of het wel verstandig zou zijn de zaak in hoger beroep door te zetten, vanwege de publiciteitsstroom die al grote en onaangename hoogten had bereikt en op de print van die e-mail heeft [betrokkene 1] genoteerd: “de vraag is, of het opportuun is in appèl te gaan ” en “wat kun je met het appèl winnen én verliezen ”; daaruit blijkt dat ook andere belangen dan het belang van de integriteit van de rechtspraak speelden, althans de mogelijkheid dat een hoger beroep de integriteit van de rechtspraak juist op negatieve wijze zou kunnen beïnvloeden;
- de Staat heeft geen inzicht gegeven op welke gronden (ondanks het voorgaande) toch positief is geadviseerd over het instellen van het hoger beroep; daarbij acht het hof van belang te benadrukken dat het ging om andere rechtsvraag dan in het hoger beroep in de zaak van [de rechter] tegen [de advocaat] .”
4.12
De bij het eerste tot en met het vijfde streepje genoemde omstandigheden zijn feiten die de rechtbank reeds had vastgesteld in het vonnis van 19 februari 2014 respectievelijk feiten waarop de journalist een beroep heeft gedaan in zijn akte van 6 november 2013, onderbouwd met bewijsstukken. [19] De bij het zesde streepje genoemde omstandigheid is door de journalist aangevoerd in zijn memorie van grieven (onder 13 en 19).
4.13
In dit licht kan niet worden gezegd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Het hof heeft (slechts) feiten en omstandigheden die in het geding aan hem bekend zijn geworden, en waarover de Staat zich ruimschoots heeft kunnen uitlaten, betrokken bij de beantwoording van de vraag of de Staat redelijkerwijs had kunnen besluiten tot het financieren van de appelprocedure van de rechter tegen de journalist. De klachten van onderdeel 1.4 stuiten hierop af.
4.14
Onderdeel 1.5ten slotte houdt in, kort gezegd, dat het oordeel van het hof dat de Staat in redelijkheid niet kon beslissen om het hoger beroep te bekostigen innerlijk tegenstrijdig is, omdat het hof op grond van dezelfde feiten en omstandigheden heeft beslist dat het besluit van de Staat om de eerste aanleg te bekostigen wél in het algemeen belang was.
4.15
De klacht faalt reeds omdat de beslissing van het hof dat de Staat wel had mogen besluiten om de eerste aanleg te bekostigen, niet berust op dezelfde feiten en omstandigheden als waarop zijn oordeel over het financieren van het hoger beroep is gebaseerd. Cruciaal verschil is de omstandigheid genoemd bij het zesde streepje, waar de journalist in zijn memorie van grieven ook nadrukkelijk aandacht voor heeft gevraagd (hij heeft ook een 843a-verzoek gedaan om het advies hierover van de landsadvocaat te verkrijgen), dat de Staat geen inzicht heeft gegeven op welke gronden (ondanks het voorgaande) toch positief is geadviseerd over het instellen van het hoger beroep.
4.16
Van innerlijke tegenstrijdigheid is bovendien geen sprake omdat het hof de zinsnede in rov. 4.11 van de rechtbank kennelijk heeft opgevat in de hiervoor onder 4.7 uiteengezette wijze.
4.17
De slotsom is dat onderdeel 1 niet kan slagen.
Onderdeel 2
4.18
Onderdeel 2.1houdt in dat het oordeel van het hof dat de Staat in redelijkheid niet kon beslissen om het hoger beroep van de rechter te bekostigen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Dit omdat het debat tussen partijen uitsluitend is gegaan over de vraag of de beslissing van de Staat om de proceskosten te financieren onrechtmatig was, waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen de eerste aanleg en het hoger beroep. De journalist heeft juist in algemene zin gesteld dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. Er is nooit een ‘knip’ gemaakt tussen eerste aanleg en hoger beroep. Door wel zo’n knip te maken, heeft het hof een verrassingsbeslissing genomen en/of de grenzen van de rechtsstrijd overschreden, althans is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.
4.19
Onderdeel 2.2voegt daaraan toe dat voor zover het hof die ‘knip’ ontleend heeft aan wat er besproken is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, dat oordeel ook onjuist en/of onbegrijpelijk is. De journalist heeft daar namelijk ‘afstand genomen’ van de gedachte dat (pas) bij het instellen van hoger beroep sprake was van onrechtmatig handelen.
4.2
De klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
4.21
Anders dan de klachten suggereren is in de procedure wel aandacht besteed aan (i) het financieren door de Staat (Raad voor de rechtspraak) van de eerste aanleg en, nadat die eerste aanleg positief uitviel voor de journalist, toch te besluiten tot (ii) het financieren van het hoger beroep in de procedure die de rechter tegen de journalist heeft gevoerd. Te wijzen is op het vonnis van de rechtbank van 19 februari 2014 waarin het volgende is overwogen (mijn onderstreping):
“4.12. De rechtbank stelt vast dat de Staat niet lichtvaardig heeft besloten tot betaling van de kosten van [de rechter]. Het betrof een uitzonderlijk geval, zo blijkt uit de antwoorden die de voormalig voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, [betrokkene 1] , heeft gegeven op vragen van een lid van de Tweede Kamerfractie van de SP over deze kwestie (hiervoor weergegeven onder 2.11.). Er is advies ingewonnen van de landsadvocaat alvorens C/13/531913/HA ZA 12-1489 10 19 februari 2014 [de rechter] in 2004 besloot tot dagvaarden. De Staat kon onder die omstandigheden besluiten tot financiering van de kosten van [de rechter], zonder uitputtend te onderzoeken of de door [de journalist] geciteerde uitlating van [de advocaat] over [de rechter] onjuist was. Hoewel de vraag of [de rechter] heeft gelogen over zijn contacten met advocaten het debat tussen partijen is gaan overheersen, ging het in de procedure tegen [de journalist] om de vraag of [de journalist] de uitlating van [de advocaat] zonder deze bij [de rechter] te verifiëren had mogen publiceren. Een rechtszaak is een passend en gebruikelijk middel om daarover duidelijkheid te verkrijgen. Dat over de kwestie binnen de Raad voor de Rechtspraak kennelijk discussie is geweest, zoals onder meer blijkt uit de verklaring die [betrokkene 1] daarover in een door Chipshol aanhangig gemaakte procedure als getuige onder ede heeft afgelegd op 10 november 2010, maakt dit niet anders.
Evenmin kan worden gezegd dat de uitspraak in eerste aanleg van de rechtbank te Rotterdam zonder meer had moeten leiden tot een andere beslissing van de Staat omtrent de kosten verband houdend met het hoger beroep.
4.22
Dat de rechtbank dit onderscheid maakt – dus tussen het besluit om de eerste aanleg te financieren en het besluit om het hoger beroep te financieren – is geenszins onbegrijpelijk. In het Memo dat in 2010 door de Raad voor de rechtspraak over deze kwestie is opgesteld is dit onderscheid namelijk óók gemaakt. [20] Bovendien is over het financieren van het hoger beroep nog een afzonderlijke notitie uit 2006 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat de juridisch adviseur van de Raad voor de rechtspraak afraadde het hoger beroep te bekostigen (nadat eerder al de toenmalige voorzitter van de Raad het verzoek daartoe van de president van de rechtbank Den Haag had afgewezen). [21]
4.23
Met zijn beslissing om een ‘knip’ te maken heeft het hof dus voortgebouwd op het reeds door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen eerste aanleg en hoger beroep. Daarmee was dus geen sprake van een verrassingsbeslissing.
4.24
Dat het hof de ‘knip’ van belang vond, is uitgebreid aan de orde gekomen op de mondelinge behandeling in hoger beroep. In het proces-verbaal is onder meer het volgende te lezen:
“Mr Nieuwland : Het is een hybride opdrachtgever. [De rechter] was cliënt, procespartij in de procedure die is aangespannen tegen [de advocaat] en [ de journalist] en de uitgever. [De rechter] was cliënt. Tegelijkertijd is er een relatie tussen de landsadvocaat en de Staat, beheerst door het
Landscontract. Het doel van deze procedure viel onder het landscontract. Dus de civiele opdrachtgever was de Raad voor de Rechtspraak. Die heeft de nota’s inderdaad ook voldaan. Maar de cliënt was [de rechter].
Voorzitter: Is de Staat op de hoogte gesteld van het advies van mr. [betrokkene 4] ?‘
Mr. Nieuwland : Ik weet niet of [de rechter] daarvan verslag heeft uitgebracht aan zijn president. Er is wel rechtsreeks gecommuniceerd tussen de landsadvocaat en de Raad voor de Rechtspraak. Ik was destijds zelf niet betrokken.
Voorzitter: Heeft u het niet nagekeken?
[De journalist]: Dit was een financiële set-up?
Mr. Nieuwland : Ik weet niet precies welk contact er is geweest. Het advies was mondeling. Dus dat heb ik niet terug kunnen vinden.
Voorzitter: Maar advocaten, als ze een advies om wel of niet te gaan procederen geven, dat wordt toch wel op schrift gesteld?
Mr. Nieuwland : Adviezen worden regelmatig mondeling gegeven.
Voorzitter: Dit soort adviezen?
Hof: Maar dan schrijf je het vervolgens op in een paar zinnen. Maar hier is er helemaal niks?
Mr. Nieuwland : Nee dat is hier niet.
Hof: Dat vinden wij raar.
Voorzitter: Zelfs tuchtrechtelijke erg merkwaardig.
Mr. Nieuwland : Er is geen eis om schriftelijk te adviseren.
[De journalist]: Het gaat om een uitzonderlijke zaak. Ik citeer uit uw eigen pleitnota.
Mr. Nieuwland : Het gebeurt geregeld dat er mondeling wordt geadviseerd. Het loopt ook in elkaar over. Eerst bespreken en dat loopt dan langzaam over in advisering.
Hof: U zegt een advies is uitgebracht aan [de rechter]. Omdat hij cliënt was maar geen opdrachtgever. Want dat was de Staat. Maar we zitten met de vraag: de Staat heeft besloten om [de rechter] bij te staan?
Mr Nieuwland : Ja te steunen.
Hof: Daar wordt verwezen naar het advies dat [betrokkene 4] heeft uitgebracht. Maar begrijp ik nu goed dat niet duidelijk is of de Staat dat advies wel of niet kende?
Mr. Nieuwland : [De rechter] zal ongetwijfeld…
Voorzitter: Dat is een aanname. Weet u het of gaat u er van uit omdat het u logisch lijkt?
Mr. Nieuwland : Er staat in de stukken, nota’s waaruit blijkt dat de functionarissen binnen de rechtspraak met elkaar bespreken wat de strekking van het advies was, er vindt ook discussie intern plaats.
Voorzitter: Ik kan niet zien of en op welke wijze het advies van [betrokkene 4] is betrokken. Het zijn allemaal juristen dus die vinden zelf natuurlijk ook allemaal iets daarvan. Maar wat nu het advies was daar weten wij niets van.
Mr. Nieuwland : Het is niet meer precies na te gaan omdat het mondeling was maar het was in ieder geval bekend bij de Staat dat de advisering heeft plaatsgevonden.
[De journalist]: [betrokkene 4] mag optreden. Hij was advocaat van [de rechter]. [betrokkene 4] is de straat opgeschopt vanuit Pels Rijcken. Is dat waar of niet?
Mr. Nieuwland : Niet waar.
(…)
Voorzitter: U begon al over het hoger beroep. Die vraag wordt dan prangender. Ik begrijp dat [de rechter] in hoger beroep wilde maar de Raad wilde dat niet althans de juridisch adviseur vond dat geen goed plan. Toen vond [de president van de rechtbank Den Haag] dat de rechtbank het maar moest bekostigen. Maar de Raad vond dat weer niet kunnen. Dus toen is de Raad maar weer gaan betalen. De Raad had toch ook kunnen zeggen: als de Rechtbank het zo nodig wil dan doe het lekker zelf.
Mr Nieuwland : Maar je wilt een bepaalde eenheid behouden als rechtspraak.
Voorzitter: Dat zijn interpretaties van u. Weet u het of weet u het niet? Wij zitten hier om feitelijke gegevens te verkrijgen.
[betrokkene 5] : Ik begrijp wat u zegt. Wij waren er allebei niet bij. Ik heb [de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak] ook niet gesproken over hoe dat mondelinge advies is besproken en teruggekoppeld Ook voor wat betreft het appeladvies. Dus wij kunnen niet meer info gegeven. Maar ik weet wel op basis van de afgelopen 2,5 jaar hoe het normaal gesproken gaat.
Het is altijd zo dat de Raad als zij dingen bekostigt, heel nauw op de hoogte worden gehouden door de landsadvocaat.
Hof: Maar dat is nu …
[betrokkene 5] : exact.
(…)
Hof: Eén element. Begrijp ik het nu goed dat u een knip maakt bij de onrechtmatigheid door eerst te kijken naar de situatie in 2004, dat is primair, en dan subsidiair 2009?
Mr. [betrokkene 6] : Ik heb gezegd: 2004 was een grove inschattingsfout en in 2009 was in die procedure al bekend geworden dat [de rechter] zijn stellingen niet op waarheid berustten. Vanaf dat moment had de Staat en de Raad zeker gewaarschuwd moeten zijn en moeten zeggen: we moesten [de rechter] niet steunen in deze zaak.
[De journalist]: Ik neem daar afstand van en zeg: in 2004 lag alle kennis al bij de Raad.
Hof: Het is dus een tweetrapsraket. In 2004 in ieder geval, maar in 2009 was het nog duidelijker.
(…)
Mr: Nieuwland : Hij was specialist op het gebied van onrechtmatige uitingen. Hij heeft geadviseerd over de gedragingen van p[de advocaat] en [de journalist] die het heeft opgetekend. Het verwijt aan [de journalist] was dat die aantijgingen zo ernstig waren dat hoor en wederhoor in het geding kwam. De president van de rechtbank vond dat een plausibel standpunt. Da is geadviseerd.
Hof: U weet toch niet wat [betrokkene 4] heeft gezegd?
Mr. Nieuwland : Ik verwacht zoiets.
Hof: dat is weer een veronderstelling.
Mr. Nieuwland : Het appeladvies is dat hij de procedure kansrijk achtte.
Voorzitter: Het appeladvies daar hebben wij niets van.
(…)”
4.25
Uit deze gedachtewisseling komt duidelijk naar voren dat het hof er vooral over is gevallen – zoals door de journalist in zijn memorie van grieven ook nadrukkelijk was aangevoerd – dat de Staat geen inzicht heeft kunnen of willen geven in de besluitvorming over het voortzetten van de financiering van de procedure tegen de journalist in hoger beroep. Daardoor is niet duidelijk geworden welke afweging de Staat heeft gemaakt.
4.26
Ook blijkt uit het proces-verbaal dat de raadsman van de journalist inderdaad van mening was dat er een ‘knip’ is, in die zin dat bij de beslissing om het hoger beroep te financieren nóg duidelijker was geworden (in mijn woorden) dat de rechter geen zaak had. De journalist zelf wilde niet aan ‘de knip’, omdat hij van mening was dat de Staat
van meet af aanonrechtmatig heeft gehandeld jegens hem en niet pas vanaf het besluit om het hoger beroep van de rechter te financieren. Hiermee is ook gegeven waarom de klachten uit het tweede onderdeel niet kunnen slagen: het hof doet in feite niets anders dan ‘het mindere’ toewijzen, waar ‘het meerdere’ is gevorderd. Dat heeft niets te maken met overschrijden van de grenzen van de rechtsstrijd.
4.27
Ook de klachten uit het tweede onderdeel slagen niet.
4.28
De conclusie is dat het principale cassatieberoep faalt. Dat betekent dat niet wordt toegekomen aan het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof ’s-Hertogenbosch 21 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:912..
2.Rb. Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, 19 februari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:834.
3.Aan de conclusie die A-G Langemeijer in die procedure heeft genomen (ECLI:NL:PHR:2019:192) ontleen ik het volgende (onder 1.6-1.7): Bij tussenarrest van 16 januari 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:101) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch eerst de reikwijdte van de grieven van de journalist onderzocht. Vervolgens heeft het hof de vraag besproken of de rechter misbruik van procesrecht heeft gemaakt door de (Rotterdamse) procedure tegen de journalist in te stellen. Het hof achtte de grieven van de journalist in zoverre gegrond, dat de ontkenning door de rechter van enig telefonisch contact tussen hem en de advocaat, voorafgaand aan het pleidooi van 8 december 1994, een centrale stelling van de rechter was in de Rotterdamse procedure. Het hof heeft daarna onderzocht of de journalist in dit geding terecht aanvoert dat indien komt vast te staan dat voor het pleidooi op 8 december 1994 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen de rechter en de advocaat, dit meebrengt dat de rechter misbruik van procesrecht heeft gemaakt door de Rotterdamse procedure tegen de journalist in te stellen. Naar het oordeel van het hof is dat inderdaad het geval. Dit oordeel bracht mee dat het hof alsnog moest onderzoeken of het gestelde (maar door de rechter betwiste) telefonisch contact tussen de rechter en de advocaat feitelijk heeft plaatsgevonden. Volgens het hof rust de bewijslast van die stelling op de journalist. Het hof achtte voorshands het bewijs van deze stelling geleverd, behoudens door de rechter te leveren tegenbewijs.
4.HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:648.
5.Hof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1629.
6.Rb. Amsterdam 17 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3917.
7.Hof ’s-Hertogenbosch 7 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:890.
8.HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2047,
9.Hof ’s-Hertogenbosch 21 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:161.
10.Rb. Amsterdam 17 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3917.
11.Hof ’s-Hertogenbosch 7 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:890.
12.HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2160,
13.Hof ’s-Hertogenbosch 21 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:912.
14.Memorie van grieven onder 14, 15, 16, 17 en 20.
15.Memorie van grieven onder 18.
16.Memorie van grieven onder 13.
17.Memorie van grieven onder 16.
18.Memorie van grieven onder 19.
19.Het eerste streepje is ontleend aan rov. 2.5 van het vonnis van de rechtbank. Het tweede, derde, vierde en vijfde streepje zijn gebaseerd op punt 5 van de akte van 6 november 2013 en onderbouwd met prod. 7. Het tweede streepje vindt ook bevestiging in prod. 11.
20.Zie prod. 7 overgelegd bij akte van 6 november 2013, waarin door de Raad van de rechtspraak een chronologisch overzicht wordt gegeven van de gang van zaken, waarbij expliciet (en gedetailleerd) wordt ingegaan over de gang van zaken bij de financiering van het hoger beroep (p. 3).
21.Zie prod. 11 overgelegd bij akte van 6 november 2013.