ECLI:NL:HR:2024:983

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2024
Publicatiedatum
28 juni 2024
Zaaknummer
24/00057
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Deze termijn werd niet gehaald. Hoewel belanghebbende een beroep op betalingsonmacht deed, werd dit niet in behandeling genomen omdat het griffierecht inmiddels was voldaan, maar te laat.

De Hoge Raad gaf belanghebbende vervolgens de gelegenheid om te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was betaald. De door belanghebbende ingediende verklaring bood geen grond om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb werd het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het te laat betaalde griffierecht werd terugbetaald. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 28 juni 2024.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/00057
Datum28 juni 2024
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A. van Velsen, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 31 oktober 2023, nrs. 22/00525 en 22/00526 [1] .

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 8 februari 2024 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan.
1.2
Bij een op 11 maart 2024 per post ontvangen brief heeft belanghebbende ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan. Aangezien het griffierecht inmiddels is voldaan, wordt het beroep op betalingsonmacht niet in behandeling genomen.
1.3
De griffier van de Hoge Raad heeft op 22 maart 2024 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in zijn via het webportaal van de Hoge Raad ingediende brief van 19 april 2024 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
1.4
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2024.
Het door belanghebbende na het verstrijken van de termijn als griffierecht betaalde bedrag
van € 136 wordt door de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende terugbetaald.