ECLI:NL:HR:2024:983
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Deze termijn werd niet gehaald. Hoewel belanghebbende een beroep op betalingsonmacht deed, werd dit niet in behandeling genomen omdat het griffierecht inmiddels was voldaan, maar te laat.
De Hoge Raad gaf belanghebbende vervolgens de gelegenheid om te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was betaald. De door belanghebbende ingediende verklaring bood geen grond om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb werd het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het te laat betaalde griffierecht werd terugbetaald. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 28 juni 2024.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.