Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
27 juni 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak verzocht de vader om het gezag over zijn minderjarige dochter, die onder voogdij stond van een gecertificeerde instelling (GI), op grond van art. 1:274 lid 2 BW Pro. De rechtbank en het hof wezen dit verzoek af en bevestigden dat de GI geen advocaat nodig had om een verweerschrift in te dienen in hoger beroep.
De vader stelde in cassatie onder meer dat de vrijstelling van verplichte procesvertegenwoordiging voor de GI niet geldt voor het indienen van een verweerschrift in hoger beroep, omdat art. 1:283 BW Pro alleen ziet op verzoeken en niet op verweerschriften. De Hoge Raad oordeelde echter dat de vrijstelling ook voor verweerschriften geldt, mede gelet op de wetsgeschiedenis en de analogie met art. 1:265k lid 4 BW. Dit betekent dat de GI zich ook zonder advocaat tot de rechter kan wenden in hoger beroep.
Daarnaast verduidelijkte de Hoge Raad de uitleg van art. 1:274 lid 2 BW Pro. Dit artikel bepaalt dat een ouder die het gezag alleen uitoefent, de rechtbank te allen tijde kan verzoeken met de uitoefening van het gezag te worden belast, en dat dit verzoek wordt toegewezen tenzij het belang van de minderjarige zich daartegen verzet. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van rechtbank en hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de gecertificeerde instelling ook in hoger beroep zonder advocaat een verweerschrift kan indienen en dat het verzoek tot gezagsbelasting terecht is afgewezen.