Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
(…)
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Afdoening
€ 16.226,--
€ 122.046,--
€ 126.150,50
6.Beslissing
27 juni 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft de afwikkeling van een vennootschap onder firma waarin drie vennoten deelnamen, waarvan twee eiser zijn en één verweerster. De samenwerking werd beëindigd per 31 december 2017, waarna geschillen ontstonden over de waardering en verdeling van de activa en passiva van de vennootschap.
De rechtbank had een verdeling vastgesteld, maar het hof vernietigde dit en stelde een nieuwe verdeling vast, waarbij het hof een hogere vergoeding aan verweerster toekende. De Hoge Raad oordeelt dat het hof fouten maakte in de waardering van de registergoederen, met name door onjuiste correcties toe te passen en dubbelingen in de waardebepalingen.
De Hoge Raad corrigeert deze fouten door de waarde van de percelen te baseren op het deskundigenrapport zonder onjuiste correcties, de boekwaarde van de registergoederen in mindering te brengen bij de berekening van stille reserves, en de verwervingskosten toe te voegen. De Hoge Raad stelt de verdeling vast waarbij eiser een bedrag van €236.352,50 aan verweerster moet betalen, verminderd met reeds betaalde bedragen en vermeerderd met wettelijke rente.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad verweerster in de kosten van het cassatieproces en compenseert de kosten in het incidentele beroep. De uitspraak maakt een einde aan de procedure en stelt de juiste financiële afwikkeling van de ontbonden vennootschap vast.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt de juiste waardering en verdeling van de activa vast en veroordeelt eisers tot betaling van €236.352,50 aan verweerster, verminderd met reeds betaalde bedragen en vermeerderd met wettelijke rente.