De rechtbank Gelderland behandelde de afwikkeling van de beëindigde samenwerking binnen de vennootschap onder firma V.O.F. tussen [eisers] en [gedaagde]. De samenwerking werd beëindigd per 31 december 2017, waarna de waarde van het vennootschapsaandeel van [gedaagde] moest worden vastgesteld. De rechtbank benoemde deskundigen die taxatierapporten opstelden voor de materiële activa en registergoederen.
Beide partijen dienden bezwaren in tegen de taxaties, waarbij [eisers] onder meer een matiging van de waardering van materiële activa vorderde en [gedaagde] diverse bezwaren had over waarderingen en correcties. De rechtbank oordeelde dat de bezwaren van [eisers] deels gegrond waren, waardoor de waarde van materiële activa met €34.000 werd verlaagd, terwijl de bezwaren van [gedaagde] grotendeels werden verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing of omdat de deskundige deze al had gemotiveerd weerlegd.
De rechtbank stelde de waarde van de registergoederen vast op €371.946,00 na correcties en bepaalde dat aan [gedaagde] toekomt haar kapitaal en 50% van de stille reserves, resulterend in een totaal van €201.597,50. De rechtbank wees de gewijzigde eis van [eisers] toe en bepaalde dat de betaling aan [gedaagde] in vijf jaarlijkse termijnen kan plaatsvinden, ingaande op de dag van ontbinding van de V.O.F. De proceskosten werden deels gecompenseerd, waarbij [gedaagde] de helft van de deskundigenkosten aan [eisers] moest betalen. De reconventionele vorderingen werden afgewezen.