ECLI:NL:HR:2025:1059

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
30 juni 2025
Zaaknummer
24/01204
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:166 BWArt. 6:162 BWArt. 6:108 BWArt. 36f lid 1 SrArt. 81 lid 1 Wet RO
Verwijzingen
11 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beslissing over materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud in Mallorcazaak

In de Mallorcazaak, waarin sprake is van uitgaansgeweld en openlijk in vereniging gepleegd geweld met dodelijke afloop, heeft de Hoge Raad op 8 juli 2025 uitspraak gedaan in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 maart 2024.

De verdachte werd aansprakelijk gehouden op grond van artikel 6:166 lid 1 in Pro samenhang met artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek voor de schade die verband houdt met het letsel van het slachtoffer. Deze aansprakelijkheid werd door de Hoge Raad bevestigd, waarbij geen aanleiding was tot vernietiging.

Echter, de Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het betrekking had op de toewijzing van de materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud aan de vriendin van het slachtoffer en de daarmee samenhangende oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Deze beslissing werd terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling.

De overige klachten van de verdachte werden verworpen. De uitspraak is in samenhang te zien met andere arresten van de Hoge Raad in soortgelijke zaken die op dezelfde dag zijn uitgesproken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud en de schadevergoedingsmaatregel betreft, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01204
Datum8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 maart 2024, nummer 21-004976-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.L. L’Homme bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft de advocaat E.W. Bosch een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal T. Hartlief heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van [benadeelde 3] voor zover daarin een bedrag van € 198.057,00 voor vergoeding van gederfd levensonderhoud is begrepen en de daarmee samenhangende oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van Van de Langkruis, tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht, en tot verwerping voor het overige.
De advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt ten eerste over het oordeel van het hof dat de verdachte op grond van artikel 6:166 lid 1 in Pro samenhang met artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor de schade die verband houdt met het aan [slachtoffer] toegebrachte letsel.
2.2
Deze klacht kan – mede gelet op de gronden die zijn vermeld in het vandaag uitgesproken arrest in de zaak 24/01181, ECLI:NL:HR:2025:1055, onder 3 – niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad hoeft niet verder te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.3
Het cassatiemiddel klaagt ten tweede over de toewijzing van de door de [benadeelde 3] gevorderde materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
2.4
Deze klacht is gegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/01181, ECLI:NL:HR:2025:1055, onder 5. Dat brengt mee dat in zoverre ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1 van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).
2.5
Omdat de klacht gegrond is, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de [benadeelde 3] voor zover daarin een bedrag van € 198.057 voor vergoeding van gederfd levensonderhoud is begrepen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 3] ;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien van de beslissing op de vordering van de [benadeelde 3] ter zake van gederfd levensonderhoud en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 3] opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 juli 2025.