Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
8 juli 2025.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 8 juli 2025 uitspraak gedaan in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 oktober 2023 in een strafzaak betreffende medeplegen van doodslag en (gekwalificeerde) diefstallen.
De verdachte had in 2020 in Maastricht zijn buurman met kracht tegen het hoofd geslagen en vervolgens tegen het hoofd geschopt terwijl het slachtoffer op de grond lag, waardoor het slachtoffer bewusteloos raakte, in coma belandde en uiteindelijk overleed zonder nog bij bewustzijn te zijn gekomen. De benadeelde partij, bestaande uit de broer en zus van het slachtoffer, vorderde immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:95 lid 2 en Pro 6:106 BW.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het slachtoffer immateriële schade had geleden die door vererving aan de nabestaanden toekomt. De vordering van de nabestaanden werd daarom afgewezen. Tevens werd de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in stand gehouden. Daarnaast werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van twaalf jaar tot elf jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De zaak werd terugverwezen voor hernieuwde berechting van de straf en de vordering tot schadevergoeding, waarbij het beroep van de verdachte voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot elf jaar en acht maanden en de immateriële schadevergoeding aan de nabestaanden is afgewezen.