Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
8 juli 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor belaging van de ex-partner van zijn zus, zoals bedoeld in artikel 285b.1 Sr. De verdachte stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde, waaronder een klacht over het belemmeren van het ondervragingsrecht tijdens het getuigenverhoor en een bewijsklacht over de inhoud en ontvangers van brieven en e-mails die als belaging werden aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het ondervragingsrecht en het bewijs niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat nadere motivering niet noodzakelijk was vanwege het ontbreken van belang voor de rechtsontwikkeling. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf en de vervangende hechtenis. De taakstraf werd verminderd van 160 naar 152 uren en de vervangende hechtenis van 80 naar 76 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president Borgers en raadsheren Dalebout en Posthumus op 8 juli 2025.
Uitkomst: De taakstraf is verminderd van 160 naar 152 uren en de vervangende hechtenis van 80 naar 76 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.