Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 augustus 2024, waarin het hoger beroep tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2011 tot en met 2014 werd behandeld, beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft de ingediende klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk is om de klachten inhoudelijk te motiveren, omdat zij geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht oproepen, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Hiermee blijft het oordeel van het hof ongewijzigd en worden de naheffingsaanslagen, heffingsrente, belastingrente en boetebeschikkingen bevestigd.
Het arrest is uitgesproken door de vice-president als voorzitter en vier raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, op 4 juli 2025.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch blijft in stand.