Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
8 juli 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake medeplegen van witwassen van geldbedragen afkomstig uit WhatsAppfraude. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.
De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte cassatiemiddelen en concludeerde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. Tevens werd de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding besproken, waarbij de Hoge Raad het arrest van het hof bevestigde.
Een cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en het arrest meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gewezen.
Desondanks achtte de Hoge Raad, gelet op de geringe straf, geen aanleiding om aan deze overschrijding een ander rechtsgevolg te verbinden. Het beroep werd derhalve verworpen en het hofarrest bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen witwassen blijft in stand ondanks overschrijding redelijke termijn.