Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 juli 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin hij werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste omzetbelastingaangiften en valsheid in geschrift door de rechtspersoon [B] B.V. in de periode van augustus 2015 tot december 2017.
De Hoge Raad behandelt twee cassatiemiddelen: het eerste betreft een bewijsklacht over de onjuistheid of onvolledigheid van de aangiften omzetbelasting; het tweede betreft een klacht over de motivering van het feitelijk leidinggeven en de kwalificatie van de bewezenverklaring. De Hoge Raad verwijst voor de beoordeling van het eerste middel naar een samenhangende zaak (HR:2025:1096) en verwerpt het middel.
Ten aanzien van het tweede middel oordeelt de Hoge Raad dat het hof voldoende gemotiveerd heeft dat verdachte een belangrijke en sturende rol had in de constructie van de fraude, onder meer door zijn rol in de boekhouding, instructies aan medeplegers en contacten over facturen en betalingen. Het hof achtte bewezen dat verdachte feitelijk leiding gaf aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften en het opstellen van valse facturen. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor feitelijk leidinggeven aan meervoudige BTW-fraude en valsheid in geschrift.