Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 juli 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door [B] B.V. en aan valsheid in geschrift. Het hof oordeelde dat de verdachte als commercieel directeur en gevolmachtigde een sturende en controlerende rol had in een constructie gericht op btw-fraude via schijntransacties met Britse vennootschappen.
De Hoge Raad beoordeelde twee cassatiemiddelen: een bewijs- en een kwalificatieklacht. Het eerste middel betrof de onjuistheid van de aangiften omzetbelasting, waarbij de Hoge Raad verwees naar een samenhangend arrest (ECLI:NL:HR:2025:1096) en het middel verwierp. Het tweede middel betrof de motivering van het feitelijk leidinggeven en de kwalificatie van de feiten, waarbij de Hoge Raad eveneens het middel verwierp op basis van de uitgebreide motivering van het hof en de bewijsvoering, waaronder whatsappberichten die de sturende rol van de verdachte bevestigen.
De Hoge Raad bevestigde dat de verdachte inzicht had in de gehele handelsketen en dat hij doelbewust onjuiste aangiften heeft doen indienen en valse facturen heeft laten opmaken. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd.