ECLI:NL:HR:2025:1132
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak rechtbank over verzet tegen niet-ontvankelijkheid wegens griffierecht in belastingzaak
Belanghebbende maakte bezwaar tegen afwijzing van verzoeken tot teruggaaf van omzetbelasting over de periode 2016-2019. De inspecteur verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn en schond daarbij de hoorplicht.
Belanghebbende stelde beroep in en betaalde het griffierecht niet tijdig, waarna de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaarde. Belanghebbende deed verzet en betaalde het griffierecht alsnog. De rechtbank verklaarde het verzet niet-ontvankelijk omdat belanghebbende geen belang meer zou hebben, omdat de inspecteur had toegezegd alsnog te zullen horen en het griffierecht te vergoeden.
De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur niet bevoegd is om zonder rechterlijke vernietiging opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, waardoor het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende geen belang meer heeft niet kan standhouden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het verzet, met inachtneming van de motivering in dit arrest.
Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten in cassatie. De beslissing benadrukt de noodzaak van zorgvuldige toepassing van de hoorplicht en het belang van een correcte procedurele behandeling in belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het verzet.