Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.Beslissing
18 juli 2025.
Hoge Raad
In deze zaak staat de eigendom van een steiger in openbaar vaarwater centraal, waarbij de rechtsvragen betrekking hebben op de verkrijging van bezit door inbezitneming, de interversie van houderschap en de verjaring van rechtsvorderingen tot beëindiging van bezit en schadevergoeding. De zaak is in eerste aanleg behandeld door de rechtbank Amsterdam, waarna het gerechtshof Amsterdam op 23 april 2024 een arrest heeft gewezen.
Rederij Lovers B.V. heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld, terwijl de Gemeente Amsterdam voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht en geconcludeerd tot verwerping van elkaars beroep. De Advocaat-Generaal heeft geadviseerd het principale cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad heeft de klachten van Lovers beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht. Het voorwaardelijke incidentele beroep behoeft daarom geen behandeling.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van Lovers en veroordeelt haar in de proceskosten, begroot op € 3.073,-- exclusief wettelijke rente. Het arrest is gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 18 juli 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Rederij Lovers B.V. wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.