ECLI:NL:HR:2025:1173
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert vergrijpboeten wegens overschrijding redelijke termijn in cassatieprocedure
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen boetebeschikkingen opgelegd door de Staatssecretaris van Financiën, nadat eerdere uitspraken van lagere rechters waren vernietigd en de zaak was verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld en vastgesteld dat de cassatieprocedure een overschrijding van de redelijke termijn kende, omdat het beroep op 1 maart 2024 werd ingesteld en het arrest op 18 juli 2025 werd gewezen. Deze termijn overschrijding bedroeg minder dan zes maanden, maar was wel relevant omdat het ging om een tweede cassatieprocedure in dezelfde zaak.
Gelet op de omvang van de boeten, die meer dan € 1.000 bedragen, heeft de Hoge Raad besloten de boeten te verminderen met 5 procent voor elk van de jaren 2012 tot en met 2016. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond, vernietigt de eerdere uitspraken voor zover deze betrekking hebben op de boeten en wijst af wat betreft proceskosten.
De uitspraak is gedaan door een kamer van vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president, en is openbaar uitgesproken op 18 juli 2025.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, de boeten worden verminderd met 5 procent wegens overschrijding van de redelijke termijn.