Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
De gestelde vordering ten aanzien van de maatschappen
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
18 juli 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de aansprakelijkheid van twee maatschappen voor de betaling van een uittredingsvergoeding aan een uitgetreden maat, Mocomar B.V. De maatschappen waren van mening dat zij niet verhaalsaansprakelijk waren voor de schulden van de voormalige maten, terwijl het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de maatschappen wel aansprakelijk zijn op grond van het maatschaps- en clearingovereenkomst.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten en bevestigt het oordeel van het hof dat de schuld van de voormalige maten aan Mocomar kwalificeert als een gemeenschapsschuld (zaakschuld) in de zin van artikel 3:192 BW Pro. Dit betekent dat de vordering kan worden verhaald op het afgescheiden vermogen van de maatschappen. De Hoge Raad wijst erop dat het uittredingsbeding en de voortzetting van de maatschappen ondanks wisseling van vennoten de identiteit van de maatschap waarborgen.
Het cassatieberoep van de maatschappen is niet-ontvankelijk voor zover het gericht is tegen mondelinge oordelen van de zitting van 7 december 2023 en wordt voor het overige verworpen. De maatschappen worden veroordeeld in de proceskosten. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat de maatschappen aansprakelijk zijn voor de onbetaalde uittredingsvergoedingen aan Mocomar.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de maatschappen wordt verworpen en zij blijven aansprakelijk voor de uittredingsvergoeding aan Mocomar.