ECLI:NL:HR:2025:120

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
23 januari 2025
Zaaknummer
22/03475
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 240b.2 SrArt. 359a SvArt. 14c.6 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onduidelijkheid strafvermindering en toelaatbaarheid toezicht reclassering bij bezit kinderporno

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het maken van een gewoonte van bezit van kinderporno over de periode mei 2018 tot juni 2019. Het hof legde een gevangenisstraf van acht maanden op, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaar en een bijzondere voorwaarde gericht op het onthouden van gedragingen gerelateerd aan kinderporno.

In cassatie klaagde de verdachte onder meer dat het hof niet had aangegeven in welke mate het de straf had verminderd vanwege een geconstateerd vormverzuim bij de onrechtmatige doorzoeking van zijn woning en digitale apparaten. De Hoge Raad oordeelde dat het arrest onvoldoende duidelijkheid verschaft over de mate van strafvermindering, waardoor vernietiging van het onderdeel strafoplegging noodzakelijk is.

Daarnaast werd de toelaatbaarheid van de door het hof aan de reclassering opgelegde toezichtsopdracht op de naleving van de bijzondere voorwaarde beoordeeld. De Hoge Raad bevestigde dat het toezicht voldoet aan de eisen om de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zo veel mogelijk te respecteren, met duidelijke beperkingen in frequentie en reikwijdte van controles, en het gebruik van technische hulpmiddelen ter indicatie van kinderporno.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing over de straf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens onduidelijke strafvermindering en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting; toezicht reclassering wordt bevestigd als toelaatbaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03475
Datum4 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 september 2022, nummer 20-002587-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft aangegeven in hoeverre het de straf heeft verminderd in verband met het geconstateerde vormverzuim.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.8.

4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het derde cassatiemiddel niet nodig.

5.Overwegingen naar aanleiding van het vierde cassatiemiddel

5.1
Hoewel het voorgaande meebrengt dat het vierde cassatiemiddel ook niet meer aan de orde behoeft te komen, merkt de Hoge Raad naar aanleiding van de klacht over de door het hof aan de reclassering verstrekte opdracht tot het houden van toezicht op de naleving van een bijzondere voorwaarde – onder verwijzing naar HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763 en HR 4 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:118 – het volgende op.
5.2.1
Het hof heeft de verdachte voor het in de periode van 9 mei 2018 tot en met 13 juni 2019 in bezit hebben van – kort gezegd – beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik (kinderporno), terwijl hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt, veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren met onder meer de bijzondere voorwaarde dat:
“d. de veroordeelde zich op welke wijze dan ook onthoudt van:
- het seksueel getint communiceren met minderjarigen;
- gedrag dat is gericht op een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen;
- gedrag dat is gericht op een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd, waarbij de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventies door of namens de reclassering of voornoemde zorgverlener aan de verdachte zullen worden gegeven en waarbij verdachte medewerking verleent aan het toezicht hierop.”
5.2.2
Verder heeft het hof het volgende beslist:
“Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Het toezicht op de onder d vermelde voorwaarde vindt plaats door de reclassering en/of de betrokken zorgverlener. De veroordeelde bespreekt tijdens de gesprekken met de reclassering hoe hij denkt dit gedrag te voorkomen. Om het toezicht op deze gedragsvoorwaarde mogelijk te maken, werkt de veroordeelde mee aan controles van zijn digitale gegevensdragers tijdens een huisbezoek van de reclassering. De veroordeelde verschaft bij die controle de toegang tot computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover de veroordeelde in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd. Ook verstrekt hij bij de controle wachtwoorden die voor die controle nodig zijn. De controle op digitale gegevensdragers vindt maximaal drie keer per jaar plaats waarbij de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controle is gericht op de vraag of de veroordeelde kinderpornografisch materiaal vermijdt en strekt niet verder dan dat. De controle strekt er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde. De reclassering kan voor de technische ondersteuning van de controle een deskundige op digitaal gebied meenemen, ook als dit een politieambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Indien de door de reclassering meegenomen deskundige geen ambtenaar betreft maar een externe partij dient aan de veroordeelde toestemming te worden gevraagd voor het betreden van de woning van de veroordeelde en is deze persoon tot geheimhouding verplicht. Indien de deskundige een politieambtenaar is dient aan de veroordeelde toestemming te worden gevraagd voor het betreden van de woning van de verdachte en het overgaan tot de voornoemde controle. Bij de controle kan gebruik worden gemaakt van een hulpmiddel dat een indicatie geeft of kinderpornografisch materiaal aanwezig is.”
5.3
De door het hof in zijn arrest opgenomen toezichtsopdracht aan de reclassering voldoet aan de in HR 4 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:118 genoemde eisen voor zover deze ertoe strekken te voorkomen dat bij de controles een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. In dat verband verdient opmerking dat de door het hof gegeven invulling van het toezicht betrekking heeft op een aan de verdachte in het kader van zijn veroordeling opgelegde verplichting, die is beperkt tot de aan de voorwaardelijke veroordeling verbonden proeftijd en direct verband houdt met het tegengaan van met het bewezenverklaarde vergelijkbare gedragingen gedurende die proeftijd. Daarbij heeft het hof duidelijke beperkingen aangebracht in de frequentie van de onaangekondigde controles. Daarnaast heeft het bepaald dat de controle er niet toe strekt een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte en dat daarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. Mede in verband hiermee heeft het hof bepaald dat de controle uitsluitend is gericht op de vraag of de verdachte – overeenkomstig de gestelde gedragsvoorwaarden – kinderpornografisch materiaal vermijdt. In dat verband is ook van belang dat bij de onaangekondigde – desgewenst mede door een deskundige politiefunctionaris uitgevoerde – controles door de reclassering gebruik kan worden gemaakt van een technisch hulpmiddel dat een indicatie geeft of kinderpornografisch materiaal aanwezig is.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 februari 2025.