ECLI:NL:HR:2025:1214

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2025
Publicatiedatum
29 augustus 2025
Zaaknummer
23/00836
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 410.1 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in ontnemingszaak wegens overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene. Het beroep is ingesteld door de betrokkene en behandeld door de Hoge Raad.

De cassatiemiddelen waren identiek aan die in een samenhangende strafzaak en leidden niet tot cassatie. De Hoge Raad verwijst naar de motivering in het arrest van dezelfde dag in de strafzaak (ECLI:NL:HR:2025:1213).

De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, maar dit leidt niet tot cassatie of andere rechtsgevolgen in deze ontnemingszaak. In de strafzaak zal worden beoordeeld of compensatie wegens termijnoverschrijding moet plaatsvinden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het vonnis van het gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2023.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het vonnis van het gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00836 P
Datum2 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2023, nummer 23-002749-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat B.G.M.C. Peters bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1
De cassatiemiddelen zijn identiek aan de cassatiemiddelen die zijn ingediend in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de onder 2.1 bedoelde strafzaak onder nummer 23/00834, ECLI:NL:HR:2025:1213.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 23/00834, ECLI:NL:HR:2025:1213, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 september 2025.