Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
2 september 2025.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 februari 2023, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
Hoewel de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, acht de Hoge Raad dit geen reden voor vernietiging of andere rechtsgevolgen. De overschrijding wordt ambtshalve vastgesteld, mede gelet op de samenhang met een strafzaak die eveneens bij de Hoge Raad aanhangig is. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin dergelijke termijnoverschrijding niet automatisch leidt tot compensatie in cassatie.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 2 september 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.