Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
.”
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het voorwaardelijke incidentele beroep
5.Beslissing
5 september 2025.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een geschil tussen Rabobank en een melkveebedrijf bestaande uit een maatschap en haar leden over de zorgplicht van de bank bij het aangaan van een kredietovereenkomst in 2014. Het melkveebedrijf wilde uitbreiden en financiering verkrijgen voor de bouw van een stal en aankoop van grond, terwijl toen al mogelijke productiebeperkende maatregelen zoals een fosfaatrechtenstelsel in voorbereiding waren.
De rechtbank wees de vorderingen van het melkveebedrijf af, maar het hof stelde dat Rabobank een bijzondere zorgplicht had om te waarschuwen voor de risico’s van dergelijke maatregelen en stelde het leveren van tegenbewijs open. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft meegewogen dat het melkveebedrijf bekend was met de mestproblematiek, derogatie en de mogelijke wetgevingswijzigingen, en dat het hof daarom het oordeel moet heroverwegen.
De Hoge Raad bevestigt dat de zorgplicht van een bank bij zakelijke kredieten beperkt is, maar dat onder bijzondere omstandigheden een waarschuwingsplicht kan bestaan. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad het melkveebedrijf in de kosten van cassatie.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.