Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
30 september 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2024, waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld ten laste van de betrokkene in verband met medeplegen van gewoontewitwassen bij een diamantroof op Schiphol in 2005.
De betrokkene stelde meerdere klachten aan de orde, waaronder de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.), de waardering van inkomsten uit een cafetariabedrijf, de financiering van een leaseauto, en de niet in mindering gebrachte rekeningen. Tevens werd betoogd dat persoonlijke omstandigheden tot matiging van de betalingsverplichting moesten leiden en dat verbeurdverklaarde vorderingen op een vennootschap onder firma in mindering gebracht hadden moeten worden.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om inhoudelijk op de vragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht volgens artikel 81 lid 1 Wet Pro op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep is derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.