ECLI:NL:HR:2025:1266

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2025
Publicatiedatum
12 september 2025
Zaaknummer
25/02262
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:9 lid 2 AwbArt. 8:36c lid 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 april 2025. De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van dit beroep. Uit de processtukken bleek dat het beroepschrift niet binnen de zeswekentermijn van artikel 6:7 Awb Pro was ingediend, noch binnen de termijn van artikel 6:9, lid 2, Awb.

De Hoge Raad gaf belanghebbende op 25 juni 2025 de gelegenheid om een toelichting te geven op de termijnoverschrijding, maar belanghebbende maakte geen gebruik van deze mogelijkheid. Op grond hiervan werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard volgens artikel 6:6 Awb Pro.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Boerlage, van der Voort Maarschalk en van Roij op 12 september 2025.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02262
Datum12 september 2025
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 29 april 2025, nr. 23/672 [1] .

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
De griffier van het Hof heeft op de uitspraak van het Hof aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen is verzonden op 8 mei 2025.
Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift niet is ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken. Het is ook niet tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft op 25 juni 2025 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld binnen vier weken mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitale dossier van belanghebbende is eveneens op 25 juni 2025 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 25 juni 2025.
1.3
Belanghebbende heeft van de hiervoor in 1.2 bedoelde gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 6:6 Awb Pro niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2025.