ECLI:NL:HR:2025:1305

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2025
Publicatiedatum
12 september 2025
Zaaknummer
24/03758
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van beklagprocedure inzake beslag op personenauto wegens verdenking witwassen

De zaak betreft een beklagprocedure tegen het beslag op een personenauto die in verband wordt gebracht met verdenking van witwassen. De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat klager voldoende aannemelijk heeft gemaakt hoe hij aan de gelden is gekomen waarmee de auto is gekocht, en concludeerde dat er geen sprake meer was van een verdenking van witwassen. De rechtbank stelde dat de verklaring van klager concreet, min of meer verifieerbaar en niet hoogst onwaarschijnlijk was.

De advocaat-generaal stelde echter dat de rechtbank het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure onvoldoende heeft onderkend en ten onrechte inhoudelijk heeft geoordeeld over de verdenking. Volgens de Hoge Raad is het oordeel van de rechtbank dat geen verdenking meer bestaat, te prematuur omdat nader onderzoek in een hoofd- of ontnemingsprocedure nog kan plaatsvinden. De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom geen nader onderzoek noodzakelijk zou zijn.

De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant voor een nieuwe beoordeling en afdoening van het beklag op het bestaande dossier. De uitspraak benadrukt het voorlopige karakter van de beklagprocedure en het belang van een zorgvuldige motivering bij het al dan niet handhaven van beslag.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbeoordeling van het beklag tegen het beslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03758 B
Datum16 september 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 juli 2024, nummer RK 24/010218, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen voorwerp verbeurd zal verklaren of zal onttrekken aan het verkeer.
2.2
Het cassatiemiddel is gegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 september 2025.