Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
16 september 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een meervoudige mensenhandelzaak. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden. De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest, maar alleen voor de strafduur, met vermindering van de straf.
De Hoge Raad beoordeelde de klachten van de verdachte, maar vond deze onvoldoende voor vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad hoefde geen uitgebreide motivering te geven omdat de klachten niet van belang waren voor de rechtsontwikkeling.
Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 27 maanden naar 26 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en wees het beroep voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de griffier tijdens een openbare zitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 27 naar 26 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.