Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
23 september 2025.
Hoge Raad
Klaagster diende een klaagschrift in voor teruggave van een geldbedrag van €170.100 dat in 2017 in beslag was genomen in de tuin van haar voormalige woning. Het beslag was gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen een inmiddels overleden verdachte. Klaagster stelde eigenaar te zijn van het geld en vorderde teruggave.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de termijn van twee jaar na inbeslagneming was ingediend, zoals voorgeschreven in artikel 552a lid 4 Sv. Hoewel er een strafzaak tegen klaagster was gestart, was deze op 27 oktober 2023 geseponeerd en op 5 december 2023 door de rechtbank beëindigd, waardoor de zaak niet als vervolgd werd beschouwd in de zin van artikel 552a lid 3 Sv.
De Hoge Raad bevestigde dat de termijn van twee jaar voor het indienen van het klaagschrift geldt wanneer geen vervolging is ingesteld. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht geen toepassing gaf aan de kortere termijn van drie maanden na het einde van een vervolging. Tevens benadrukte de Hoge Raad dat het openbaar ministerie het beslag moet beëindigen zodra het belang van de strafvordering het voortduren niet meer vordert, maar dat dit niet afdoet aan de ontvankelijkheid van het klaagschrift.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift definitief is. De beslissing bevestigt de strikte toepassing van de termijnen voor beklag bij beslag in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift wegens overschrijding van de termijn van twee jaar na inbeslagneming.