Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
15 oktober 2019.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een beklag tegen beslag op een geldbedrag van €11.700,00 dat in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen was gelegd. Klager, die zich als eigenaar van het geldbedrag presenteerde, diende een hernieuwd klaagschrift in nadat de zaak tegen hem en een ander was geseponeerd. De rechtbank verklaarde het hernieuwde beklag niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de in artikel 552a, vierde lid, Sv gestelde termijn van twee jaar na inbeslagneming.
De Hoge Raad bevestigde dat de termijn van artikel 552a, derde lid, tweede volzin, Sv ook geldt voor hernieuwd beklag, en dat dit eveneens geldt voor artikel 552a, vierde lid, Sv. Omdat de strafzaak zonder rechterlijke tussenkomst met sepot was geëindigd, gold de termijn van twee jaar na inbeslagneming voor het indienen van het hernieuwde beklag. Klager had het klaagschrift ruim een half jaar te laat ingediend, waardoor het niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Hoge Raad wees tevens op de verplichting van het Openbaar Ministerie op grond van artikel 116 Sv Pro om het beslag te beëindigen indien het belang van de strafvordering dat niet langer vereist. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee de beslissing van de rechtbank stand hield.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens overschrijding van de termijn voor hernieuwd beklag.