ECLI:NL:HR:2025:1368

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
22 september 2025
Zaaknummer
24/01950
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 289 SrArt. 226k SvArt. 359a SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen en uitlokking moord ondanks termijnoverschrijding

In deze strafzaak staat de medeplegen en uitlokking van een huurmoord in 2012 in Marum centraal. De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het samen met haar kinderen beramen van de uitlokking van de moord. In cassatie werd onder meer betoogd dat het recht op een eerlijk proces was geschonden en dat verklaringen van een kroongetuige en niet-ondervraagde medeverdachte onrechtmatig als bewijs waren gebruikt.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten over de bewijsvoering en het proces niet leiden tot vernietiging van het arrest. De klachten behoeven geen nadere motivering omdat zij niet van belang zijn voor de rechtsontwikkeling. Wel wordt geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden vanwege late aanlevering van stukken door het hof en de lange duur van de cassatiefase.

Desondanks verbindt de Hoge Raad aan deze termijnoverschrijding geen rechtsgevolgen en verwerpt het het beroep. De opgelegde straf wordt slechts verminderd tot de gebruikelijke maatstaf. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf wordt verminderd naar de gebruikelijke maatstaf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01950
Datum23 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 mei 2024, nummer 21-000127-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.C. Reisinger en R.L. Vermeulen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 september 2025.