Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
4.Beslissing
23 september 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen en uitlokking van medeplegen moord in verband met een zwembadmoord in 2012 te Marum. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld en de zaak kwam in cassatie bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde meerdere cassatiemiddelen, waaronder klachten over de betrouwbaarheid van kroongetuigeverklaringen, de bewijswaardering omtrent medeplegen, en de vraag of het hof terecht geen kennis had genomen van een kort voor sluiting van het onderzoek ingediend getuigenverzoek. Ook werd het afwijzen van verzoeken tot het horen van getuigen en het verstrekken van stukken over de rol van de verdachte als informant besproken.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat motivering van dit oordeel niet nodig was vanwege het ontbreken van belang voor de rechtsontwikkeling. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door het late toezenden van stukken door het hof. Gelet op de beperkte overschrijding werden hieraan echter geen verdere rechtsgevolgen verbonden.
Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef, behoudens een eerdere conclusie van de advocaat-generaal tot vermindering van de strafduur die niet door de Hoge Raad werd gevolgd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.