ECLI:NL:HR:2025:1370

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
22 september 2025
Zaaknummer
24/02037
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen en uitlokking in zwembadmoordzaak en oordeelt over redelijke termijn

In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen en uitlokking van medeplegen moord in verband met een zwembadmoord in 2012 te Marum. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld en de zaak kwam in cassatie bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde meerdere cassatiemiddelen, waaronder klachten over de betrouwbaarheid van kroongetuigeverklaringen, de bewijswaardering omtrent medeplegen, en de vraag of het hof terecht geen kennis had genomen van een kort voor sluiting van het onderzoek ingediend getuigenverzoek. Ook werd het afwijzen van verzoeken tot het horen van getuigen en het verstrekken van stukken over de rol van de verdachte als informant besproken.

De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat motivering van dit oordeel niet nodig was vanwege het ontbreken van belang voor de rechtsontwikkeling. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door het late toezenden van stukken door het hof. Gelet op de beperkte overschrijding werden hieraan echter geen verdere rechtsgevolgen verbonden.

Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef, behoudens een eerdere conclusie van de advocaat-generaal tot vermindering van de strafduur die niet door de Hoge Raad werd gevolgd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02037
Datum23 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 mei 2024, nummer 21-000039-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.Th. Nooitgedagt bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 september 2025.