ECLI:NL:HR:2025:1389
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest over toerekening vermogen familiestichting in box 3
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2018 en een aanslag over 2019 betrof. De kern van het geschil is de toepassing van de regeling voor afgezonderd particulier vermogen (APV) op een familiestichting die financiële steun verleent aan familieleden.
De stichting werd opgericht in 1907 met als doel ondersteuning van familieleden. De Inspecteur kwalificeerde de stichting als APV en rekende een evenredig deel van het vermogen toe aan belanghebbende, wat leidde tot belastingheffing in box 3. Het Hof oordeelde dat de APV-regeling in dit geval niet proportioneel was en beperkte de heffing tot het daadwerkelijk genoten voordeel, wat in casu nihil was.
De Hoge Raad stelt dat de wetgever met de APV-regeling een legitiem doel nastreeft, namelijk het voorkomen van fiscale zwevende vermogens en heffingslekken. De ruime en robuuste opzet van de regeling is niet evident onredelijk. De toerekening aan erfgenamen is gerechtvaardigd, ook al leidt dit tot verschillen in belastingdruk. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof omdat het de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever miskent en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.
De Hoge Raad verklaart het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond en het principale beroep van de Staatssecretaris gegrond. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Dit arrest bevestigt de geldigheid van de APV-regeling en de ruime beoordelingsmarge van de wetgever bij de fiscale toerekening van vermogen in familiestichtingen.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.