Uitspraak
1.Geding in cassatie
. [2]
Hoge Raad
Belanghebbende, een ondernemer met een eenmanszaak, had voor de jaren 2013-2016 geen IB/PVV-aangiften gedaan en voor 2017 en 2018 te lage aangiften ingediend. De Inspecteur stelde een onderzoek in naar de omzetbelasting en breidde dit uit naar de inkomstenbelasting. Tijdens het onderzoek werden navorderingsaanslagen opgelegd voor 2015-2018 en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.
Het hof oordeelde dat de Inspecteur niet had voldaan aan de bewijslast voor een nieuw feit, maar wel dat sprake was van een kenbare fout conform art. 16 lid 2 AWR Pro, omdat de te weinig geheven belasting meer dan 30% bedroeg. Het hof vond dat belanghebbende niet redelijkerwijs kon menen dat de primitieve aanslagen voor 2017 en 2018 op goede gronden waren vastgesteld, mede vanwege correspondentie na het aanslagmoment.
De Hoge Raad vernietigt dit oordeel wegens onvoldoende motivering, met name omdat de correspondentie grotendeels over andere jaren ging en niet overtuigend aantoont dat belanghebbende niet redelijkerwijs kon menen dat de aanslagen juist waren. De zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling of belanghebbende in redelijkheid kon menen dat de aanslagen juist waren, waarbij ook de kennis en inzichten van diens adviseur aan belanghebbende kunnen worden toegerekend.
De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed. De overige klachten worden verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling.