Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 3
3.Wettelijk kader, wetsgeschiedenis en relevante rechtspraak
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De verdachte was enig aandeelhouder en formeel bestuurder van [D] en binnen [E] verrichte hij alle (bestuurs)activiteiten. Binnen deze twee rechtspersonen werden in de tenlastegelegde periode geen zakelijke activiteiten verricht of een onderneming gedreven. De aandelen van [C] waren in handen van de vrouw en kinderen van de verdachte, en zijn in 2017 verkocht aan [F] SA, vertegenwoordigd door de verdachte.
De verdachte kon beschikken over de bankrekeningen van [D] en [E] en gebruikte deze voor privé-uitgaven. De rekening van [D] werd gevoed met zeer grote geldbedragen (waaronder contante stortingen van € 481.000) en de verdachte ging uit naam van [D] en [E] leningen aan, of loste leningen af. Al deze transacties hadden niets met activiteiten van die rechtspersonen van doen, maar betroffen persoonlijke belangen van de verdachte. Een deel van de genoemde grote geldbedragen werd gestort op een Luxemburgse bankrekening die de verdachte had geopend en die door hem het meest werd gebruikt. Over zijn faillissement verklaarde de verdachte in een telefoongesprek met een derde dat het hem niet interesseerde en dat hij er geen last of gemak van had.
5.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
- de verdachte op 10 juli 2012 bij vonnis van de rechtbank Groningen persoonlijk failliet is verklaard;
- de verdachte daarna gedurende zijn faillissement misbruik heeft gemaakt van de vennootschappen [D] en [E] , zoals hiervoor onder 4.2.1 en 4.2.2 is weergegeven;
- hoewel in de tenlastegelegde periode geen zakelijke activiteiten meer werden verricht in [D] en [E] , op de rekening van [D] € 990.000 is gestort door [E] , waarbij van een onderliggende zakelijke overeenkomst niet is gebleken, welk bedrag afkomstig was van [B] , waarvan de bestuurder heeft verklaard dat de verdachte € 1.000.000 nodig had, omdat de verdachte en zijn gezin ernstig bedreigd werden door Turkse mannen;
- de verdachte € 175.000 heeft ontvangen uit een lening van [betrokkene 1] , waarbij de verdachte aan [betrokkene 1] heeft opgedragen om € 100.000 op zijn Luxemburgse rekening te storten;
- de verdachte bedragen van € 100.000 en € 50.000 heeft ontvangen uit leningen van [A] , waarbij hij € 100.000 contant ontving en € 50.000 op zijn Luxemburgse rekening;
- de ontvangen bedragen mede hebben gediend ter financiering van persoonlijke uitgaven en voor de aflossing van privé-schulden van de verdachte en zijn partner;
- de verdachte de curator onder meer van deze leningen niet op de hoogte heeft gesteld, terwijl de verdachte wist dat hij daartoe gehouden was.
In aanmerking genomen dat de verdachte ook op de terechtzitting in hoger beroep geen duidelijk en volledig beeld heeft gegeven van de herkomst en bestemming van de grote geldbedragen waarover hij tijdens zijn faillissement kon beschikken en die hij kennelijk geheel naar eigen inzicht kon besteden en heeft besteed, heeft het hof, zoals in zijn oordeel besloten ligt, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte, door het op deze manier besteden van deze bedragen, zijn schuldeisers heeft benadeeld. Dat de omvang van deze benadeling niet zonder meer gelijk is aan de hoogte van de door het hof in aanmerking genomen ‘geldleningen’, doet daaraan niet af.
Daarbij verdient opmerking dat in de vaststellingen en overwegingen van het hof als zijn niet onbegrijpelijke oordeel besloten ligt dat zich hier niet de situatie voordoet zoals in HR 3 december 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB6908 en HR 12 mei 1992, ECLI:HR:1992:AC2505, waarin tegenover de gedurende het faillissement verworven baten op grond van de daaraan ten grondslag liggende zakelijke overeenkomsten (mogelijk) verplichtingen van gelijke hoogte stonden, zodat – waren deze baten wel bij de curator bekendgemaakt – daartegenover een boedelschuld van (ten minste) gelijke hoogte stond. In dat verband is van belang dat de verdachte niet aan de curator en ook niet aan het hof duidelijk en volledig inzicht heeft gegeven in de herkomst en de bestemming van de geldbedragen waarover hij gedurende zijn faillissement beschikte, en in verband daarmee in de manier waarop de verdachte – ondanks zijn lopende faillissement – derden beweerdelijk bereid heeft gevonden hem geldbedragen van zo’n omvang ter beschikking te stellen. Dat tegenover die bereidheid verplichtingen stonden die deze derden anders jegens de boedel geldend hadden kunnen maken, behoefde het hof op grond van wat de verdachte daarover naar voren heeft gebracht niet aan te nemen.
6.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
7.Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
8.Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
9.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
10.Beslissing
14 oktober 2025.