Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
30 september 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak is de verdachte veroordeeld voor medeplegen van een gewelddadige woninginbraak. Centraal stond de vraag of het DNA-onderzoek, waarbij DNA-sporen van de plaats delict handmatig werden vergeleken met een beperkt aantal profielen van personen die nog niet als verdachten waren aangemerkt, rechtmatig was en op wettelijke grondslag kon steunen.
De verdachte stelde dat deze vorm van gericht DNA-onderzoek geen wettelijke basis had en dat het een inbreuk op zijn privacy en het verbod op willekeur vormde, wat bewijsuitsluiting zou moeten opleveren. De rechtbank en het hof verwierpen dit verweer. Zij oordeelden dat de officier van justitie op grond van artikel 151a Sv bevoegd is om veiliggestelde sporen te vergelijken met alle profielen in de DNA-databank, en dat deze bevoegdheid ook het gericht vergelijken met een beperkt aantal profielen omvat.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar de wetsgeschiedenis en de relevante wettelijke bepalingen, waaronder artikel 138a en 151a Sv. Het cassatiemiddel faalt omdat de wetgever de officier van justitie een ruime bevoegdheid heeft gegeven om DNA-onderzoek te verrichten, ook gericht op 'potentials'. De overige klachten zijn eveneens verworpen zonder nadere motivering. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het gericht DNA-onderzoek was rechtmatig en de veroordeling blijft in stand.