Conclusie
Nummer 23/04308
Inleiding
Bewezenverklaring
De bewijsoverwegingen van het hof
“Overweging met betrekking tot het bewijs
ernst van de verdenking, de vaststelling dat het onderzoek was vastgelopen en dat niet is gebleken dat op dat moment minder verstrekkende , opsporingsmogelijkheden voorhanden waren die uitzicht boden op het ophelderen van de overval.
deze personen is vastgebonden met een touw. Op basis van het DNA-onderzoek naar de bemonsteringen van het touw en de pyjama van aangever heeft de rechtbank geconcludeerd dat de DNA-hits dadersporen betreffen en dat [medeverdachte] en [verdachte] deze sporen hebben achtergelaten in de woning van aangever tijdens het plegen van de overval.In aanvulling hierop overweegt het hof dat op basis van al het hiervoor overwogene in hun onderlinge verband en samenhang bezien, sprake is van dadersporen.
Ten slotte heeft [verdachte] tegenover een informatie-inwinner onder meer verklaard dat hij samen met een vriend de man heeft vastgebonden met een touw. Deze vriend bleek [medeverdachte] te zijn. De rechtbank overweegt dat aangever wisselend heeft verklaard over het postuur en de lengte van de. mannen, waarbij relevant moet worden geacht dat hij tijdens de overval vooral op de grond heeft gelegen en hij zijn bril niet op had. Het verweer van de ’ verdediging als zou verdachte niet in het ’signalement passen, wordt om die reden verworpen.In aanvulling hierop overweegt het hof dat geen doorslaggevende betekenis kan worden gegeven aan de signalementen die zijn gegeven door aangever, nu hij heeft aangegeven brildragend te zijn en op het moment van de overval geen bril te hebben gedragen. Ook weegt het hof hierbij mee dat aangever heeft verklaard verblind te zijn geweest door het licht van een schijnwerper.
Het eerste middel
sporenprofiel niet geschikt is om in de DNA-databank te worden opgenomen het voorgaande niet anders maakt. Sporenprofielen komen bijvoorbeeld niet in aanmerking voor opname als minder dan zes DNA-kenmerken konden worden bepaald of indien het een mengprofiel van méér dan twee personen betreft. [16] Voor deze gevallen geldt dat een geautomatiseerde vergelijking [17] lastig is en de uitkomst daarvan minder betrouwbaar. De ‘ongeschiktheid’ voor opname in de DNA-databank voor strafzaken berust dus op praktische, en niét op juridische, redenen. Sporenprofielen die niet aan de criteria voor opname in de databank voldoen maar wel geschikt zijn voor vergelijkend onderzoek, kunnen door middel van een eenmalige zoeking of handmatige vergelijking met in de databank aanwezige persoonsprofielen worden vergeleken. [18] De bevoegdheid die in de eerste volzin van art. 151a lid 1 Sv aan de officier van justitie wordt toegekend, omvat mijns inziens ook dit vergelijkend onderzoek en behoeft geen nadere wettelijke grondslag.
hieromtrent wordt geklaagd [19] , laat ik deze overwegingen van het hof buiten bespreking.
Het tweede middel
rechtmatigwas en de verklaring van de verdachte voor het bewijs kan worden gebruikt (omdat geen sprake zou zijn geweest van een verhoorsituatie als bedoeld in art. 29 Sv Pro en omdat voldaan is aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit)”. Het oordeel van het hof wordt op alle drie onderdelen bestreden.
verwachtingwas dat de verdachte zich op haar zwijgrecht zou beroepen. Crijns stelt dat deze “proactieve gang van zaken” in het licht van het subsidiariteitsbeginsel niet geheel overtuigt. AG Harteveld achtte in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest het oordeel van het hof dat geen redelijk alternatief voor de inzet van de “SI” beschikbaar was en dat deze inzet voldeed aan de eis van subsidiariteit niet onbegrijpelijk. [23] Het hof had aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat de kans om met minder verstrekkende opsporingsmiddelen dichter bij opheldering van het misdrijf te komen niet reëel was en daarbij verwezen naar het proces-verbaal van aanvraag, waarin door de politie uiteen was gezet dat de tot dan toe ingezette opsporingsbevoegdheden nog niet genoeg materiaal boden om het scenario dat de verdachte betrokken was bij de in de zaak centraal staande brandstichting te kunnen verifiëren of falsificeren en dat het niet de verwachting was dat andere, minder ingrijpende, opsporingsbevoegdheden bruikbaar resultaat zouden opleveren. AG Harteveld meende dat de omstandigheid dat het bevel was gegeven op de dag voor de aanhouding en het eerste verhoor van de verdachte aan het oordeel van het hof niet afdeed, omdat (i) het bevel kennelijk was afgegeven met het oog op aanhouding van de verdachte en het daarop volgende verblijf van de verdachte op het politiebureau en (ii) de eerste inzet van de “SI” pas plaatsvond nadat de verdachte was aangehouden en zij bij de voorgeleiding had aangegeven gebruik te willen maken van haar zwijgrecht. De Hoge Raad heeft zich over de betreffende deelklacht niet uitgelaten.
Het derde middel
Het vierde middel
“De schade van [slachtoffer]
(Bijlage 2)wordt vermeld dat [slachtoffer] van december 2016 tot augustus 2017 thuis is bezocht, dat hij pas weer een gevoel van veiligheid voor zichzelf heeft gecreëerd door de aanleg van een veiligheidssysteem, en dat hij sinds de overval met een kruk loopt. (…) Op advies van de psycholoog praat [slachtoffer] tijdens deze contactmomenten veelvuldig over de impact die de overval op hem heeft gehad. Daarbij komt ook ter sprake dat hij tijdens de overval in doodsangst heeft verkeerd. (…)
(Bijlage 3)blijkt dat [slachtoffer] bij binnenkomst aldaar kampte met angstklachten en een stressreactie door de overval met soms paranoïde gedachten.