Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
(Kamerstukken II 2002/03, 28484, nr. 5, p. 5.)
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
7 oktober 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft mishandeling van de levensgezel door de verdachte op 6 oktober 2019. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld op grond van art. 300.1 jo. 304.1 (oud) Sr, waarbij het hof oordeelde dat de vriendin van de verdachte als zijn levensgezel kon worden aangemerkt. Deze bewezenverklaring was gebaseerd op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigen en verbalisanten, en een buurtonderzoek.
De Hoge Raad stelt in cassatie vast dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vriendin van de verdachte als levensgezel in de zin van art. 304 Sr Pro kan worden aangemerkt. De gebruikte bewijsmiddelen bevatten onvoldoende informatie over de aard en hechtheid van de relatie tussen verdachte en slachtoffer. Volgens de toelichting bij de wet moet sprake zijn van een nauwe persoonlijke betrekking vergelijkbaar met die tussen echtgenoten, hetgeen niet alleen samenwonen vereist.
Het cassatiemiddel slaagt daarom en de Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het gaat om de bewezenverklaring en strafoplegging met betrekking tot mishandeling van de levensgezel. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en afdoening. Het overige cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het levensgezelschap en de strafoplegging.